De donkerste periode van de Augustijnenabdij te Zonnebeke

De ketterijen van Luther (Protestantisme) en Calvijn (Calvinisme) begonnen ook in onze streek ramp en vernieling te veroorzaken vanaf 1550 ongeveer. De protestanten verwierpen het gezag van de Kerk en bestreden het burgerlijke gezag als dit de katholieke godsdienst in bescherming nam zoals de Spaanse overheid hier. Ketterse predikaties werden gehouden, aanvankelijk in het geheim maar vanaf 1561 ook openbaar (Westnieuwkerke). De Calvinisten begonnen vanaf 1561 hier en daar kerken te vernielen en priesters te vervolgen. De storm ontketende pas echt in 1566, het Geuzenjaar. De predikanten ruiden het volk op tegen Kerk en priesters. Het mikpunt was de beeldenverering in de kerken en de rijkdom van kloosters en gestichten. Tussen 11 en 14 augustus sloeg een bende gepeupel van zowat 3.000 man uit het Ieperse aan het plunderen. Gewapend met stokken, bijlen, ijzeren staven… trokken ze in verscheidene groepen naar parochiekerken en kloosters in geheel de Westhoek. Ze sloegen in de kerken de beelden, vensters, altaren, boeken, doopvonten, orgels, grafstenen, schilderijen, ornamenten… kort en klein. De Zonnebeekse abdijen (ook de Nonnebossenabdij) en de kerk ontsnapten niet aan de furie. Een bende ketters onder leiding van Ieperling Sebastiaan Matte lieten weinig heel. Abt Jan Calin heeft de ramp niet lang overleefd. Hij stierf in 1568.

Abt Jan Calin van de Augustijnenabdij werd opgevolgd door abt Nicolaus Ogiers in de nog slechts acht kanunniken tellende abdij. Dit aantal wijst op laagconjunctuur. De godsdienstvrede herstelde zich enigszins dankzij het krachtdadige optreden van de Spaanse overheid. In 1572 moest de abdij daartoe aan de vorst zelfs een grote (oorlogs)belasting betalen van 200 Doornikse pond. Toch bleef men op zijn hoede voor nieuwe aanslagen en agressie. De Augustijnenabdij kreeg zo in 1574 van de Paus de toestemming om de Metten in plaats van om middernacht, overdag te zingen uit vrees voor nachtelijke overvallen want inderdaad, geen week ging voorbij zonder slecht nieuws voor onze katholieke bevolking in de streek. Zo werden op 4 oktober 1572 op een pachtgoed langs de weg van Ieper naar Voormezele, drie priesters door 30 gewapende mannen gevangen genomen. Één onder hen was Ambrosius De Coster van Zonnebeke. Langs een aardeweg werden drie putten gegraven en ze werden er tot aan de hals in begraven. Dan werden zij met stenen, ijzeren en houten voorwerpen bekogeld tot zij de martelaardood stierven.

Vanaf 7 april 1577 verlieten de Spaanse bezettingtroepen ons land. Dit gaf de vrije baan aan Willem van Oranje van de Noordelijke Nederlanden om gewapenderhand de Calvinistische godsdienst op te dringen aan Vlaanderen. Opnieuw werd de katholieke eredienst onteerd en ontheiligd. Priesters werden vermoord en kerken geplunderd. Op 20 juli 1578 kwam een leger Gentse geuzenrebellen Ieper belegeren. Vier dagen later gaf de stad zich over. Het hek was meteen van de dam om opnieuw de streek terroriseren. Nog in hetzelfde jaar werd de Zonnebeekse Augustijnenabdij en de kerk in brand gestoken en ten gronde vernield. Ook hofsteden (van de abdij) werden in de fik gestoken en de burgers vluchtten weg. Het leidde tot een grote en langdurige ontvolking van onze streek.

Abt Nicolaus Ogiers en zijn paters trokken naar Rijsel want hun ‘refuge’ te Ieper, die de abdij als mogelijk toevluchtsoord had aangekocht in 1354 in de Bollingstraat langs de vestingen, was geconfisqueerd door de rebellen. Pas nadat de Calvinisten uit Ieper verdreven werden in 1584, konden de paters van Zonnebeke intrek nemen in hun toevluchtsoord. Daar leefden ze 25 jaar lang zonder veel comfort en zonder de broodnodige accommodatie (zoals een kapel en een vergaderzaal) om de leefregel goed te onderhouden. Het kwam er dus ten allen prijze op aan de abdij en de abdijkerk te herstellen maar… geldgebrek, de ontvolking en de troebele tijden bemoeilijkten het herstel. Er waren al een noodkerk en enkele gebouwen (zoals de slaapzaal) van de nieuwe abdij heropgebouwd toen abt Ogiers overleed in mei 1608.

Hij werd opgevolgd door de zeer begaafde, energieke en invloedrijke abt Carolus de Boisot. Die bespoedigde de heropbouw, dankzij de toestemming die hij kon bekomen om een lening van 600 pond af te sluiten met onderpand van abdijgronden en een bijzondere belasting die hij mocht heffen op het kappen van brandhout door zijn pachters gedurende de drie volgende winters. Nog in 1608 kwam de kloostergemeenschap (hijzelf, drie kanunniken en twee pas geprofesten) naar Zonnebeke terug. Hij kende wel de tegenslag in zijn beginperiode dat het pas heropgebouwde koor van de kerk en de toren instortten en aldus het net voordien deels herstelde klooster grote schade toebrachten. Dit was het gevolg van de voorbije strenge winters en voorjaarsstormen. Pas rond 1628 waren de bouwwerken volledig voltooid want er werd verder gebouwd naargelang de beschikbare geldmiddelen.

Ook de geestelijke toestand van de abdij liet begin de 17e eeuw erg te wensen over. De ballingschap had het religieuze leven en de reguliere tucht geen deugd gedaan. De paters droegen in de refuge zelfs het kloosterhabijt niet meer (deels uit schrik voor godsdiensthaters, deels uit gemakzucht). Ook hier ontpopte abt Carolus De Boisot zich als een hervormer en als het ware een herstichter van de abdij. Hij slaagde er in nieuwe verordeningen of statuten, geïnspireerd op deze van toepassing in zijn klooster van herkomst te Groenendaal, uit te vaardigen en te laten ondertekenen en naleven door zijn kloosterlingen. Dankzij zijn wijs beleid begon vanaf 1610 een periode van geestelijke en materiële opbloei in de abdij die de ganse eeuw zou kenmerken.