De tien schoonste vrouwen van Beselare

2017 wordt opnieuw een heksenstoetjaar in Beselare. De ideale gelegenheid dus om een korte levensschets te publiceren over de tien schoonste vrouwen van Beselare die telkens op de laatste zondag van juli van een onpaar jaar, hun opwachting maken in Beselare. Echte heksenprocessen zijn er nooit geweest in Beselare. De verhalen over deze pittige dames zijn dan ook puur gebaseerd op legendes en volksverhalen waarbij Warden Oom, Jozef Maes en Lodewijk Dewolf een grote inbreng hadden.

Hun levensverhaal wordt geschetst in functie van het jaar dat ze op het toneel verschenen in de heksenstoet.

Sefa (Jozefa Coleta) Bubbels, dochter van molenaar Jacobus Bubbels. Sefa huizenierde in het Steenuilbos (rond de Reutel). Ze huwde met de vondeling Pieren Bierboom en kocht te reke zeven kinderen. De pestepidemie bracht abrupt een einde aan het gezinsleven van Sefa. Ze verloor haar man en vijf van haar kinderen. Sefa werd door de parochianen geschuwd en er werden haar allerlei toverpraktijken ten laste gelegd. Op zekere nacht terroriseerden Sefa en haar kompanen het dorp. Sinds dat moment kreeg ze zelf de naam van heksenmeesteresse en kreeg Beselare de naam van Toveresseparochie. Sefa stierf een natuurlijke dood in 1750.

Als reuzin werd Sefa Bubbels boven de doopvont gehouden ter gelegenheid van ‘Zonnebekestraatkermis’ met bâmis in 1959. Het ontwerp lag in handen van meester Schotte uit Moorslede. De ceremonie werd georganiseerd door de toenmalige studentenclub ‘Pijp en Blaas’. Tijdens de stoet wordt Sefa traditioneel begeleid door de Koninklijke Harmonie Sint Cecilia Beselare en uiteraard de bezemdanseresjes.

Calle Bletters (Katrien Belettere) was de dochter van smid Pieter Belettere. Calle haalde haar toverkunsten uit een groot perkamenten toverboek waarmee ze de paarden in de smesse betoverde. Toen ze haar einde voelde naderen, smeet ze het boek in het smessevuur. Calle stierf in 1747.

Als tweede reuzin vulde ze de stoet aan in 1964. Het ontwerp was van de hand van Adhemar Vandroemme. Calle is de enige reuzin die zich mechanisch verplaatst. Een met een huisje gecamoufleerde tractor en een hydraulisch systeem achteraan geeft de indruk dat Calle boven haar woonst vliegt.

Leeme Caduul was een lange magere heks met een valse roste duivelinne van een kat. Kinderen die met de kat in aanraking kwamen kwijnden weg. Sefa Bubbels was goed bevriend met Leeme. Ze kwam er regelmatig op bezoek waarbij meestal een brandewijnkruik soldaat gemaakt werd.

Leeme deed haar intrede in de stoet in 1965 en was een ontwerp van het toenmalig heksencomité.

Meele (Melanie) Crotte was portierster op het kasteel van markies Vanderwoestine. Bedelaars en schooiers stuurde ze weg met de schimpwoorden: ‘ ’t Is krotte’. Ze had een zeer goede kennis van kruiden en vooral zwammen, waarbij vooral de geiten het moesten ontgelden. Meele stierf een natuurlijke dood in 1751.

Meele vervoegde als vierde reuzin de heksenstoet in 1966 en was een realisatie van het straatcomité van de Geluwestraat. Ter gelegenheid van de zilveren heksenstoet in 1983 werd ze volledig vernieuwd. Het nieuw ontwerp lag in handen van Hans Van Bockstael en het comité van de Geluwestraat.

Tanneken Vanhulle was een welgesteld wijveken die eigendom had op de Slangenmeersch, een gehucht met een kwalijke reputatie. In haar schortezak zat altijd een doosje met slangenzalf. Overal waar ze kwam zaten de doeken van de borelingen vol teenbijters en krioelde hun wiegjes van de orekruipers. Tanneken kwam aan haar einde door een beet van een giftige slang.

Tanneken kwam als reuzin op het toneel in 1968. In 1975 werd ze volledig vernieuwd onder impuls van André Buyse en Roger Cardoen.

Treze Belle (Belle Fakke) woonde in het Hoenwegelke en was arm ‘lijk Job op zijn messing’. Ze moest bij wet haar bezoeken aankondigen met een bel. Ze leurde met galgejongen. Galgejongen of alruinwortels kon met niet uittrekken zonder plots dood te vallen. Daarvoor bond ze de staart van honden, liefst zwarte, aan de plant en jaagde ze de honden op. De plant kwam los en de arme beesten vielen ter plekke dood. Na haar dood vond men een karrebak vol hondengeraamtes.

Treze werd ingehuldigd in 1970 en was een creatie van het toenmalig Nieuwstraatcomité. In 2003 kreeg ze een facelift ter gelegenheid van haar huwelijk met Jan de Gaper uit Geluwe.

Dokke van d’Heulebeke woonde langs de Mispelaarbeek op de Proyaard. Ze was waarzegster en had een kwalijke reputatie als heks. Aan haar sterfbed zat een zwarte bok aan het voeteinde van haar beddebak. Toen bewoners uit de omgeving het riskeerden om binnen te gaan, vond met Dokke morsdood, het hoofd achterste voren gedraaid. De duivel had haar de nek omgewrongen.

Dokke maakte haar intrede in de heksenstoet in 1975. Het ontwerp was van de hand van Adhemar Vandroemme en werd gerealiseerd door André Buyse (structuur en mechanisme) en Roger Cardoen (hoofd en handen). De doopplechtigheid lag in handen van de studenten van ‘Moeder Sefa’.

Clette ’t Aendegat (Coleta Vandendycke) werd gevonden in een dijk langs het Crampebos in 1703. Ze ging op schooi achter brokkelinge van brood voor haar keuns, een speciale soort met drie oren. Ze had de reputatie van heks omdat ze altijd een aarden pulleke met toverdrank bij zich had, heel gevaarlijk voor zwangere vrouwen. Ze stierf in 1765 ten gevolge van een zonnesteek.

Clette ’t Aendegat was een creatie van Hans Van Bockstael. Marijke Desimpel nam de kledij voor haar rekening. Beiden werden dan ook respectievelijk peter en meter. De doopplechtigheid werd uitgevoerd op de vooravond van de heksenstoet in 1985 door pastoor Patrick Bouckaert.

Fyte Kwick kwam toe in Beselare rond bâmis van het jaar 1699, het jaar dat de pestziekte in alle hevigheid woedde. Ze huizenierde aan de rand van het Vuilewaasbos. Ze was vermaard als kaartlegster en kreeg hierdoor een slechte reputatie omdat er veel vreemd volk over de vloer kwam. In de winter van 1739 – 1740 is ze spoorloos verdwenen. Rond haar plotse verdwijning werd er veel gespeculeerd onder de bevolking. Had de duivel haar lichaam doen verdwijnen?

Fyte werd met veel toeters en bellen aan het publiek voorgesteld in 1999 tijdens de persvoorstelling van de 36e Heksenstoet. Het ontwerp lag in handen van Hans Van Bockstael. Opmerkelijk aan dit schepsel is het groen gekleurde gezicht.

Babbe van d’ Eijerpanders (Barbara Vansuyt) woonde aan de Eijerpanders in de omgeving van het kasteel. Rond de periode van haar ‘aardse bestaan’ werd de streek geteisterd door een abnormale kindersterfte (ten gevolge van gebrek aan hygiëne). Het toeval wilde dat zij telkens ‘het kinderbed’ bezocht kort voordat het kind stierf. Zo kreeg ze de reputatie van heks onder de inwoners van Beselare.

Reuzin Babbe werd gedoopt in 2009, ter gelegenheid van 50 jaar heksenstoet en was een creatie van de creatieve werkgroep van het heksencomité. De opmerkelijke kledij was van de hand van Rita Zwaenepoel.

 

Dit is een samenvatting van een artikel dat verscheen in het eerste Zonneheem van 2017