Dorpspastoors... ook mensen.. maar soms rare

Tot voor enkele decennia was de Kerk in onze dorpen vertegenwoordigd door een schare dienaars. Naast de pastoor waren er vaak één of twee onderpastoors om samen met dwingende hand de ‘kudde’ op het rechte pad te houden. Zij deden naar godsvrucht en vermogen goed werk in de parochies maar ze hadden hun eigen aard. Denken we maar aan de kunstenaars zoals onderpastoor Jan Soens te Zonnebeke van 1959 tot 1968 en Hubrecht Lasure te Beselare van 1941 tot 1945 of de grote heemkundige onderpastoor Lodewijk Dewolf te Beselare van 1911 tot 1914. Soms hadden ze ook heel ‘rare’ kantjes zoals pastoor Gerard Lammens te Zonnebeke van 1919 tot 1943. Ook Passendale had van 1876 tot 1900 een niet-alledaagse zielenherder in de persoon van Edward De Keerle.

Hij werd geboren op 1 december 1822 te Ieper als zoon van zelfstandigen. Hij werd priester gewijd te Brugge op 4 februari 1849 en werd gedurende 20 jaar ‘internaatsurveillant’ in het college te Menen. Daarna werd hij pastoor te Ooigem en in 1876 werd hij door de bisschop benoemd als pastoor te Passendale.

In 1878 nodigde hij de paters Redemptoristen uit om voor zijn parochianen een ‘godvrezende’ missie te prediken. Na die week van heel veel kerkbezoek, biechten en mis volgen, schreef de pastoor een rapport naar het bisdom waarin hij niet naliet om te vermelden wie in de parochie afwezig was gebleven bij het kerkgebeuren. Het betrof een twintigtal personen die hij met naam en toenaam signaleerde aan de bisschop. Het feit dat het niet van de minsten waren kon hem niet weerhouden. Zo staat de naam van Louis Donatien Comyn, dokter, gewezen schepen en provincieraadslid en lid van de provinciale toezichtcommissie op de krankzinnigentehuizen in het arrondissement Ieper, bovenaan de lijst. Eveneens afwezig op de missie waren notaris-gemeentesecretaris Melchior Christiaen, zijn zoon Emile, de gekende, vooruitstrevende handelaar en uitvinder en vrederechter Degrijse en zijn griffier Louis Christiaen. Ook de naam van drie goed gekende herbergiers stond op pastoor De Keerle’s lijst. De teneur was meteen gezet voor een zeer moeilijk pastoraat in de komende jaren.

Eind januari 1886 werd ’s nachts ingebroken in de kerk te Passendale. Twee offerblokken werden opengebroken en geroofd en de deur van de sacristie werd ingebeukt. Hier werd kerkzilver gestolen. De pastoor bracht de bisschop, de burgemeester en de gendarmerie op de hoogte. Het parket van Ieper stelde een onderzoek in maar de zaak bleef onopgelost.

“Dan is het beter het recht in eigen handen te nemen”, dacht de pastoor. Twee jaar later, medio maart 1888 was er opnieuw een nachtelijke inbraak in de pastorij. De dieven hebben er wijn, boter en nog wat kleinigheden gestolen. Toen zij probeerden de kluis naar buiten te slepen is de pastoor ontwaakt. Onmiddellijk nam hij zijn revolver, opende het raam en vuurde op de dieven. Ze namen in allerijl de vlucht. Vermoedelijk werd niemand geraakt. De pastoor had wel bemerkt dat de inbrekers met acht waren. Ook deze zaak bleef onopgelost.

In 1888 gaf Charles Menu zijn ontslag als onderwijzer van de aangenomen lagere school te Passendale om te emigreren naar Amerka. In een brief aan zijn bisschop schreef pastoor De Keerle op 23 juni 1888 hierover: “ Je n’ en suis pas faché, car il laissait beaucoup à désir sous le rapport de la conduite …” wat betekent : “ Ik ben er niet rouwig om want zijn gedrag liet vaak te wensen over …”

Meer verguisd dan gegeerd overleed pastoor E. H. Edward De Keerle te Passendale op 13 februari 1900. Het was de hoogste tijd voor een nieuw hoofdstuk te Passendale met E. H. Gustaaf Dejonckheere als pastoor.