Een der laatste ter dood veroordeelden was een Passendalenaar

Op 23 november 1840 huwde de 31-jarige landbouwerszoon Pierre-Alexander De Coene, zoon van Pierre-Jacques en Anne-Thérèse De Corte uit Passendale met Barbe Van Isacker. De moeder van Pierre-Alexander was in eerste huwelijk getrouwd met Augustin Vanhaverbeke een telg uit een gekende Passendaalse brouwersfamilie. Het jonge paar ging zich vestigen te Westrozebeke. Alexander (zoals hij meestal werd genoemd) verdiende de kost als dagloner.

Het liep vrij vlug scheef in het jonge gezin. Alexander werd smoorverliefd op een jonge vrouw ‘van slechte zeden’ aan wie hij al zijn zuur verdiende centen spendeerde. Ondertussen liet hij zijn vrouw achter zonder geld, klederen en voedsel. Wat meer is, hij begon ze te treiteren en zelfs regelmatig te slaan. Zij durfde het niet aan klacht neer te leggen tegen haar man en ze verdroeg alles gelaten maar in voortdurende angst.

Op de avond van 22 maart 1841, toen Barbe al zeven maand zwanger was, kwam Alexander eens te meer laat (rond 10.00u) thuis van bij zijn slet. Barbe lag op dat moment ziek te bed. Hij wierp zich plots op haar en sloeg ongenadig toe. Hij sloeg haar een schedelbreuk en verbrijzelde haar kaak. Hij gooide haar uit het bed, bond haar een koord om de hals en hing haar op aan een balk om zo nog te laten geloven dat het om een zelfmoord ging. Ze waren nauwelijks vier maand getrouwd.

In augustus van hetzelfde jaar stond De Coene terecht voor het assisenhof te Brugge. Na een kort proces werd hij op 26 augustus 1841 veroordeeld tot de doodstraf wegens moord op zijn wettige echtgenote. Geen enkele verzachtende omstandigheid werd in acht genomen want de omstandigheden van de moord waren zo afschuwelijk en de feiten zo overduidelijk. Het van toepassing zijnde strafwetboek was op dat moment nog steeds de Franse Code Pénal van 1810 waarbij de doodstraf kon worden uitgesproken en uitgevoerd. Ze werd voltrokken met de guillotine. Sinds de Belgische onafhankelijkheid was het aantal executies echter sterk verminderd dank zij de mogelijkheid tot gratie, verleend door de koning. Tussen 1835 en 1863 werden in ons land van de 848 ter dood veroordeelden er slechts 55 terecht gesteld. De anderen kregen alle gratie door de koning.

Ook Alexander De Coene deed beroep op de koninklijke gratie. Zijn verzoek werd afgewezen en op maandag 9 mei 1842 werd hem dit bekend gemaakt. Hij verzette zich aanvankelijk hevig, wijzende op het onrecht dat de enen wel gratie krijgen en de anderen niet. Daarna werd hij gelaten en hij kreeg religieuze bijstand. Hij bleef kalm bij de woorden van de priester die hem nu niet meer verliet. ’s Anderendaags op 10 mei 1842 rond de middag werd de 33-jarige Alexander De Coene met de guillotine onthoofd op de Burg te Brugge. Een immense horde nieuwsgierigen kwam vanaf de morgen toegestroomd op het plein. Het was immers 20 jaar geleden dat nog zo’n weerzinwekkend schouwspel had plaats gevonden te Brugge.

De doodstraf met de guillotine (in vredestijd, voor de burgers dus) werd niet meer toegepast sinds 1863 maar systematisch omgezet in levenslange dwangarbeid. Toch werd de doodstraf niet afgeschaft in het nieuwe Belgische strafwetboek van 1867. De doodstraf werd wel nog toegepast in oorlogstijd (de Eerste en de Tweede Wereldoorlog) maar deze straf wordt uitgesproken tegen militairen door de krijgsraad (militaire rechtbank) en wordt uitgevoerd met de kogel, door een vuurpeloton. De laatste executie in België dateert van 1950. Na herhaalde interpellaties in Kamer en Senaat gedurende bijna 130 jaar werd in 1996 eindelijk de doodstraf uit het Belgische strafrecht verwijderd, zowel voor vredestijd (de burgers) als voor oorlogstijd (de militairen).