Gedicht voor Léonie Keingiaert de Gheluvelt

Tot en met de Eerste Wereldoorlog was het stemrecht in België een loutere mannelijke aangelegenheid. Met de onafhankelijkheid in 1830 werd het cijnskiesrecht ingevoerd voor mannen. Dit betekende dat enkel mannen die een bepaald belastingsniveau haalden, mochten stemmen. Stemrecht was dus beperkt tot een kleine groep rijken. In 1893 werd dit kiesrecht vervangen door het algemeen meervoudig mannenkiesrecht. Elke volwassen man kon voortaan minstens één stem uitbrengen. Naargelang de gezinssituatie, vermogen en diploma’s konden daar één of maximaal twee stemmen bijkomen. In 1919 werd het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht ingevoerd. Opnieuw werden de vrouwen doodgezwegen.

Onder druk van (feministische) vrouwenorganisaties met vooral Marie Popelin en Emilie Claeys als boegbeelden, komt hier na de Eerste Wereldoorlog toch verandering in. Als compromis voor het algemeen enkelvoudig mannenstemrecht van 1919 kregen de vrouwen in april 1920 stemrecht op gemeentelijk niveau. Vrouwen die omwille van verzetsdaden door de bezetter gevangen werden gezet, niet hertrouwde oorlogsweduwen en alleenstaande moeders van gesneuvelde soldaten, mochten vanaf toen ook voor Kamer en Senaat stemmen. Prostituees werden wel uitgesloten van het stemrecht. Een wet van februari 1921 maakte vrouwen verkiesbaar als gemeenteraadslid en de wet van augustus 1921 gaf hen zelfs de kans burgemeester of schepen te worden, zij het mits schriftelijke toestemming van haar man in het geval van een gehuwde vrouw. Ook op nationaal en provinciaal niveau konden vrouwen zich nu verkiesbaar stellen, zonder echter zelf te mogen stemmen (passief kiesrecht).

In deze context is kasteeldame Léonie Keingiaert de Gheluvelt, in de voetsporen van haar grootvader François Bruno Ghislain die burgemeester was van 1833 tot 1876, in de politiek gestapt te Geluveld. De bevolking was de carrousel van drie burgemeesters in de laatste twee jaar grondig beu maar ondanks alle ergernissen en spanningen slaagden de bewindvoerders er toch in met een eenheidslijst (“Gemeentebelangen”) voor de dag te komen in 1921. Zelfs Emile Pelgrim (meestal Miel Draaier genoemd), die in 1911 nog was opgekomen met een eenmanslijst, was ‘bijgedraaid’ en sloot aan op de eenheidslijst. Zonder een misschien verrassende confrontatie met de kiezer te moeten aangaan, kregen “Gemeentebelangen” en Léonie Keingiaert de Gheluvelt een mandaat om Geluveld gedurende zes jaar te besturen. Léonie werd voorgedragen als burgemeester en aldus benoemd op 7 september 1921.

Op die 24 april 1921 trokken voor het eerst twee miljoen vrouwen naar de stembus. Over heel België werden 196 vrouwen verkozen waarvan er zes tot burgemeester en 13 tot schepen werden benoemd. De vrouwelijke gekozenen vertegenwoordigden slechts 1% van het totale aantal raadsleden terwijl het aantal vrouwelijke kiezers 51% bedroeg. Daaruit blijkt dat vrouwen niet echt voor vrouwen stemden maar blijkbaar ook hier hun man volgden.

De euforie in Geluveld was groot. Op 16 oktober 1921 werd een grootse plechtige inhuldiging op het getouw gezet. Het hele dorp werkte mee aan de feestelijkheden. De schaarse huizen en de vele woonbarakken waren gevlagd. Met bloemen, groene takken en ander versiersel werden praalbogen geconstrueerd. Talloze opschriften gaven uiting aan de sympathie van de dorpelingen voor hun nieuwe burgemeester. Er was ook massale belangstelling van buiten de gemeente. Pieter Ghesquière* heeft over het gebeuren zelfs een gedicht geschreven.

’s Burgemeesteres inhuldiging:
Wie kan er dat beschrijven?
Voor wie ’t gezien heeft hoe het ging
’t Zal in ’t geheugen blijven
Hoe ’t kleine, lieve Gheluvelt
Zoo eensgezind, in feestgeweld
“Haar Edelheid” kan vieren
Die ’t dorp nu zal bestieren!

Van aan den “Zandberg” tot “Kruiseek”
Was het als eenen hemel:
Aan elke kant der baan een reek
Van bloem- en vlag- gewemel!
En praalbogen met groen en lint
Zoo schoon en sierlijk opgepint
Met dicht of jaarschrift binnen
Aan “Haar” die wij beminnen!

Gedichten haast aan elke woonst
Zoo bondig en zoo knedig:
Elk had geïeverd om ter schoonst,
Om koddig en om snedig:
Men bood het een of ander aan
’t Was zoo eenvoudig om verstaan:
Bedoelend waar, of kunste,
Aan Jufvrouw Hare gunste!

En wat ik nu nog zeggen moet,
Ik zal niet overdrijven:
Zoo prachtig – schoone was de “Stoet”
Dat ik ’t niet kan beschrijven!
De ambachtslieden, kloek en sterk
Op wagens neerstig aan het werk
Toonden hun kunst en streven
Om ’t dorp te doen herleven!

’t Muziek van Becelaer was hier
En liet zijn “deuntjes” hooren.
Ruiters en peerden reden fier
Als hoofd des stoets al vooren.
Schoolkinders met hun Meesters bij
Zwaaiden hun kleine vlagjes blij,
En lazen ook hun “dichtje”
Met open, lief gezichtje!

Aan wie den eersten prijs nu dan
Voor het “versier” gegeven?
Is het aan Ko, aan Cies of Jan,
Aan Karel, Styn of Seven?
Of is ‘t aan Triene of aan Griet?...
Horkt hier…’k en weet het zelve niet!...
Dus: Elk een eerebloeme”
En best: “Dat ‘k niemand noeme!”

Burgemeesteres, Uedelheid,
Waart door het “Feest” bewogen!
Gij hebt gezien wat “Dankbaarheid”
En “Eendracht” hier vermogen!
Op Uwen steun rekent en telt
Het weer-rijzend Gheluvelt:
Moge God U veel jaren
Aan ’t hoofd van ’t dorp bewaren!!!

*Pieter Ghesquière (° Zillebeke 27/02/1869), getrouwd met Romanie Debruyne (° Woumen 13/11/1874), alias Pée Gekiere, was een kleine landbouwer en boomkweker. Hij woonde dicht bij het Kruisekekruispunt, juist over de herberg “Kruyseke Barriere”, langs de weg naar Beselare, op de hoek met de Slijpstraat. Tijdens de oorlog was hij naar Proven gevlucht en later naar Frans Vlaanderen. Naast landbouwer en boomkweker was hij schrijver van artikels voor plaatselijke weekbladen, briefschrijver voor buren en vrienden en gelegenheidsdichter.