Geen bloed, geen kermis

In de 19e eeuw vormden onze dorpen heel besloten gemeenschappen, waarin de dorpelingen voor elkaar opkwamen, geen vreemde pottenkijkers duldden en al zeker geen huwbaar meisje lieten wegkapen door een ‘vreemdeling’. Hoe kon het ook anders als we merken hoe geïsoleerd onze dorpsgemeenschappen leefden gezien de heel beperkte vervoersmogelijkheden (paard en kar of sjees voor de rijken, de trein pas vanaf 1868 of de fiets op het einde van de eeuw), de slechte wegen, de schaarse informatie (kranten en lezen was weinigen gegeven) en de levenswijze (geen ontspanning of sport, alleen werken telde). Geen wonder dat onze ruige mannen vaak op de vuist gingen, vooral als een discussie ontsprong aan de herbergtoog en oplaaide navenant het alcoholverbruik. Geen bloed geen leute, was dan ook een wekelijks gehoorde uitdrukking. Luister maar naar een moordverhaal te Beselare in 1885.

Tijdens de kermisweek, in de nacht van woensdag 27 mei op donderdag 28 mei rond 00.30u, gingen Désiré Soete (° Beselare 17/03/1824) en Charles Louis Deprez (° Beselare 16/01/1851) op het einde van een kroegentocht nog een laatste pintje drinken in herberg “Au Gendarme”. Désiré was een 61-jarige ongehuwde landbouwer die al rentenierde en Charles Louis, ook een landbouwer, was op 18 oktober 1881 getrouwd met Nathalie Wostyn (° Beselare 24/01/1841), de schoonzus van Désiré, die op 30 juni 1880 weduwe was geworden van zijn broer Ignaas Soete. Er waren nog een tiental klanten aanwezig in de herberg. Allen waren behoorlijk aangeschoten. Het ging er vrolijk aan toe en het duo ging zelfs een komisch lied aanheffen terwijl de rest van de meute het refrein meezong.

Kort daarna verlieten Désiré en Charles Louis het café om de bedstee op te zoeken. Ze waren nauwelijks enkele stappen weg toen twee andere mannen de herberg verlieten en hen inhaalden. Het waren de 18-jarige Emile Coudron, een steenovenarbeider uit Hollebeke en Henri Deleu (° Geluveld 18/03/1860), eveneens een steenbakker uit Geluveld. Er ontstond een discussie die vlug oplaaide. Plots kreeg Deprez een messteek in de rechterarm. Ook Soete kreeg een steek in het gezicht en plofte neer op de straatstenen. Het mes was het hoofd binnengedrongen ter hoogte van de linkerslaap en had de hersenen geraakt. De beide vechtersbazen zetten het op een lopen. Ze waren pas die dag teruggekeerd van een lange periode seizoenarbeid in Frankrijk en het vermoeden was dat ze opnieuw de grens zouden over vluchten.

Désiré Soete werd binnengedragen in herberg “De Sleerin”. Zijn toestand verslechterde zienderogen en tegen de morgen werd hij “berecht”. Om 03.00u in de namiddag overleed hij na een helse doodstrijd. Diezelfde namiddag, op 28 mei, kwam het parket van Ieper ter plaatse.  Het waren de rechters Ollevier en Vandaele, griffier Van Houver, en de wetgeneesheren Emile Lagrange en Oscar Poupart die de nodige vaststellingen deden.

De daders konden enkele dagen later toch worden gevat en ze werden overgebracht naar de gevangenis te Ieper. Ook het moordwapen werd teruggevonden. Het werd enkele dagen voor de aanslag aangekocht in een wapenwinkel in de Rijselstraat te Ieper. Het lemmet was 7,5 cm lang en drong de schedel binnen tot aan het heft. Dit geeft een idee van het geweld waarmee de dodelijke messteek werd toegebracht.

Op 15 oktober 1885 moest Henri Deleu verschijnen voor de correctionele rechtbank te Ieper voor de messteek met dodelijke afloop aan Désiré Soete en de verwonding van Charles Louis Deprez met arbeidsongeschiktheid tot gevolg. Hij werd veroordeeld tot drie jaar gevangenis, een milde straf maar de rechter was van oordeel dat het niet zijn intentie was om te doden. Van een mogelijke straf voor Emile Coudron is niets bekend.