Geen verloren schaap voor de pastoor van Zandvoorde

In een zeer bouwvallige tweewoonst aan de rand van de dorpskom te Zandvoorde woonden enerzijds Louis Durnez, een gehandicapte man van 50 jaar, met zijn verlamde echtgenote en twee kinderen en anderzijds de bejaarde Louis Leleu, bijgenaamd Choitje Bertine. Het waren mensen die opperbeste klanten waren van het Weldadigheidsbureau. Ze waren goed van inborst, maar gezondheidsperikelen, tegenslagen en drank (in het geval van Choitje) hadden hen helemaal in de armoede geduwd. Zij vergaten ook meestal om ’s zondags naar de mis te gaan. Ze moesten dus ook weinig kerkelijke solidariteit verwachten.

Op donderdag 17 juni 1847 sloeg de bliksem in op hun barak van plak en stak en vermolmd hout en deze ging volledig in de vlammen op. De arme bewoners, stonden zonder één cent of enig ander bezit op straat. Gelukkig bleven ze ongedeerd maar van een brandverzekering was uiteraard geen sprake (dit konden alleen de rijken zich toen permitteren).

Louis en Choitje gingen de burgemeester opzoeken en klaagden hun nood. Zij smeekten hem om gratis te mogen beschikken over een huis van de kerkfabriek dat al geruime tijd leeg stond. De meevoelende en verstandige burgemeester Jean Augustin Brel beloofde hen alles in het werk te stellen om dit te regelen. Hij zocht contact met de voorzitter van de kerkraad en kreeg hiervoor zijn toestemming onder bepaalde voorwaarden, zoals onmiddellijk het pand verlaten bij verhuring aan mensen die wel de huur konden betalen.

Deze regeling tussen de burgemeester en de voorzitter van de kerkraad kwam echter pastoor E. H. Jean-Baptiste Delnatte ter ore. Hij was verbolgen en ontzegde de daklozen op een brutale en schandelijke wijze de toegang tot de woning. De handelswijze van de pastoor stootte op veel onbegrip bij de bevolking en het voorval was gedurende weken het gespreksonderwerp te Zandvoorde. Enkele gezinnen die zeer verontwaardigd waren over de aanpak van de pastoor die eigenlijk een voorbeeldfunctie had moeten vervullen op gebied van menslievendheid, hebben dan maar onderdak verleend en voedsel verschaft aan die arme stakkers.

De al niet erg loyale verhoudingen tussen de pastoor en het liberale gemeentebestuur werden er niet beter op. De pastoor is nooit meer echt geliefd geweest te Zandvoorde en in 1853 werd hij ontslagen en vervangen door E. H. Angelus Van Severen.