Het Stevenisme te Passendale (2)

Als Napoleon te Waterloo verslagen wordt in 1815 en als gevolg hiervan onze regio door de Noordelijke Nederlanden wordt geannexeerd, heeft het Stevenisme geen enkele reden van bestaan meer. Toch bleef de scheuring voortwoekeren al kende ze een heel lokaal karakter, afhankelijk van de overredingskracht waarmee de tot het Stevenisme overgelopen priesters hun ‘dwaling’ aan hun gelovigen konden ‘verkopen’. Er bleven lange tijd (min of meer ) drie belangrijke centra van Stevenisten in ons land: de groep Namen – Doornik, de regio Brabant en de streek Gits-Passendale.

In 1814 telde Gits ongeveer 800 volgelingen van het Stevenisme. In 1822 was hun aantal al gezakt tot nog 166. Constant Anckaert was te Passendale een zeer vrome priester met een fijn geweten en een goede pastoor. Ook hij heeft veel parochianen meegesleurd in het Stevenisme. In de eerste zondagse hoogmis van pastoor E. H. Lodewijk Comyn, de opvolger van de ontheven Anckaert, rond 20 juli 1811, waren hooguit een tiental gelovigen aanwezig. Pastoor Anckaert was wel geen herrieschopper. Hij trok zich als kluizenaar te Nokere (zijn geboortedorp) terug en zette zich aan het bidden, mediteren en schrijven ter zelfverdediging en als misprijzen van de kerkelijke hiërarchie.

Na de val van Napoleon in 1815 komt Constant Anckaert naar Passendale terug. Hij denkt dat de vervolging tegen hem is afgelopen en hij geeft zich uit als enige wettelijke pastoor. Het Stevenisme kent onmiddellijk een felle opflakkering te Passendale onder invloed van de geliefde priester. Pastoor Comyn signaleert de gevaarlijke situatie te Passendale aan zijn bisschop en deze weigert schriftelijk Constant Anckaert in zijn priesterambt te willen herstellen. Daarop weigert Anckaert bisschop de Broglie nog verder als wettige bisschop te erkennen. Hij moet terug onderduiken en van daar uit zijn pastoraal werk uitoefenen. Zijn aanvraag om in de nonnenschool in de Zuidstraat een kamer te mogen betrekken werd afgewezen. Uit reactie werd hij nu wel een krachtige leidersfiguur voor heel het omliggende. Een derde van de Passendaalse bevolking werd Stevenist. Bij zijn begrafenis op 9 maart 1819 ontstaat heel wat tumult te Passendale. De Stevenisten wilden een ereplaats op het kerkhof voor hun herder. Dit werd hen door de gemeentelijke overheid geweigerd. Op de begrafenis hielden drie veldwachters een oogje in het zeil. Kwajongens zaten te roepen en te schelden in boomkruinen. In die tijd ontstonden vaak discussies als een Stevenist te Passendale begraven werd. Zij wilden vaak begraven worden in het familiegraf bij man, vrouw, ouders of kinderen, overleden vóór de scheuring en begraven in gewijde grond. De geestelijkheid deed er alles aan om hen te laten begraven als honden in ongewijde grond.

Na Anckaert kwamen een zekere Zilliez, een oud-karmeliet, en Petrus-Joannes Boutten, ex-proost van Sint-Juliaan, de Stevenistische volgelingen te Passendale ‘bedienen’. Later komen andere ‘rondreizende’ herders langs. Gezien de Stevenisten zich niet aanstelden als afgescheurden, geen geloofspunten verwierpen en hun bedienaars zich als wettelijk vertegenwoordigers beschouwden, zag men weinig uiterlijke tekenen van de scheuring. Ze bouwden geen eigen kerk of kapel maar hielden hun godsdienstige plechtigheden (stiekem) in private woningen of op boerderijen.

De Passendaals Stevenisten bleven een belangrijke groep. Ze hielden er zelfs een eigen school op na. Geen wonder, de zusters van het klooster in de Zuidstraat indertijd waren zo’n fervente aanhangers van pastoor Anckaert dat ze van de lagere school die ze beheerden een Stevenistenschool maakten. De school werd pas gesloten tijdens de latere schoolstrijd van 1879-1884.

De Stevenisten hadden geen bisschoppen en zo werd het priesterschap niet voortgezet. Toen de laatste Stevenistenpriester rond 1840 stierf, gingen de volgelingen zelf hun kinderen dopen en registreren. Hun zonden biechtten ze op de slaapkamer rechtstreeks aan God, geknield voor het kruisbeeld. De zondag was een absolute rust- en biddag. Onder geen enkel beding mocht die dag gewerkt worden. In plaats van de zondagsmis werd in kleine groepjes een gebedsdienst gehouden. Ook op de door Napoleon afgeschafte feestdagen (mesdagen) werd de gebedsplicht in ere gehouden. De vasten werd zeer streng en zonder enige dispensatie beleefd. Het was een tijd van boete en versterving. Op vrijdag en zaterdag moest men vlees derven. De Stevenisten waren vooral gekant tegen de veranderingen en versoepelingen in de godsdienst in de Franse Periode. Ze beschouwden dit als uitvindingen van de bisschoppen en de priesters die als staatsbedienden geen vrije lieden meer waren.

Vanaf 1850 ongeveer werd Jan Lodewijck van aan de Wallemolen gedurende vele jaren de leider van de Stevenistengemeenschap te Passendale. Hij was voorbidder in de gebedsdiensten en hij zegende huwelijken in. Trouwlustigen kwamen bij hem. Voor het kruisbeeld prevelden ze dan een akte van berouw en zweerden elkaar trouw als man en vrouw in aanwezigheid van minstens twee getuigen. Naarmate de Stevenistenkolonie kleiner werd dreigde inteelt. Jongelingen trokken zelfs naar de streek van Halle om zich een bruidje te zoeken. Veel jongeren bleven dan ook ongehuwd. Zo werkten de Stevenisten hun eigen uitsterven in de hand.

Bekering tot de ‘ware’ godsdienst gebeurde uiterst zelden. Geen wonder dat het weekblad “Het Nieuwsblad van Yperen en van het arrondissement” op 25 mei 1907 een artikel wijdt aan de ‘afzwering’ van het Stevenisme door de 17-jarige August Staelens. Hij was de zoon van Frans en Lucia Plancke bij de Mosselmarkt. Zijn werkgevers, de christelijke en doodbrave landbouwers Alfons Vandecandelaere-Nuyttens hadden hem kunnen bekeren. De afzwering gebeurde in de kerk, met de hand op het evangelie en onder het goedkeurende oog van pastoor E. H. Gustaaf Dejonckheere en met zijn onderpastoors E. H. Lodewijk Vandecasteele en Michel Vervaeke als getuigen. Daarna werd de jongeling herdoopt. Alfons Vandecandelaere trad op als peter. ’s Anderendaags, op Sinksen, deed August zijn Heilige Communie en hij werd meteen lid van de Congregatie.

In 1907 woonden te Passendale nog slechts drie Stevenistengezinnen met in totaal 11 gezinsleden. Zij woonden vooral op de wijk de Wallemolen. In oktober 1914 werden alle Passendalenaren uit hun woning verdreven. Één Stevenistenfamilie trok naar de streek van Leerbeek (Halle), op zoek naar hun geloofsgenoten. De families Crispel en Versteele trokken naar Frankrijk en vestigden zich te Wormhout. Slechts één van deze families keerde na de oorlog naar Passendale terug. Ondertussen waren ze naar het katholicisme overgestapt.