Kasbons voor electriciteit

De eerste elektriciteitscentrales kwamen er in België op het einde van de 19e eeuw. Ze leverden enkel stroom voor de onmiddellijke omgeving en dit op gelijkstroom en op lage spanning. In het begin van de 20e eeuw werd overgeschakeld op wisselstroom. Zo kon meer stroom op grotere afstand worden vervoerd. De eerste verbinding tussen centrales kwam in België tot stand in 1911. Dit was een grote stap vooruit naar een meer betrouwbare bevoorrading.

De eerste aanzet tot elektrificatie van de gemeenten ontstond in Nederland tijdens de Eerste Wereldoorlog. Hoewel Nederland neutraal was en dus geen oorlog kende, waren de gevolgen van die oorlog er toch duidelijk merkbaar. Zo waren veel goederen gerantsoeneerd, waaronder kaarsen. Voor de inwoners betekende dit dat zij slechts eens in de zoveel tijd kaarsen konden afhalen op het gemeentehuis. Her en der werden commissies opgericht tot bevordering van de aanleg van het elektriciteitsnet. Immers, er stelde zich het probleem dat de aansluitingskosten voor gemeenten uitzonderlijk hoog zouden zijn, vooral in landelijke gemeenten waar de huizen ver uit elkaar lagen. Toch konden rond 1923 de eerste elektrische openbare verlichtingen worden aangestoken in enkele Nederlandse steden en gemeenten.

Door de oorlogsomstandigheden werd in België het elektrificatiedossier ettelijke jaren achteruitgeschoven. Tijdens de heropbouw in onze regio werd teruggegrepen naar het vooroorlogse gasreservoir, gasleidingen en gaslantaarns als openbare verlichting. Slechts het dorpsplein en de hoofdwegen in de dorpskom kregen enkele lantaarns, hooguit een tiental per gemeente. De gemeente stelde een lantarenopsteker aan die elke avond en elke morgen zijn ronde moest doen tegen een kleine vergoeding.

Toch vonden we een merkwaardig artikel (advertentie) in het weekblad “Het Ypersche” van 10 januari 1925. Hierin wordt gesteld dat “met het doel der electrificatie van de gemeente Zonnebeke, het gemeentebestuur overgaat tot het uitschrijven van een lening bij het Gemeentekrediet van België. Het is immers bij het Gemeentekrediet dat de gemeentebesturen de nodige sommen moeten ontlenen om grote werken te financieren zoals de geplande electrificatie. De ontleningen hiervoor worden aan de gemeente slechts toegestaan voor een bedrag gelijk aan dat der geplaatste titels van het Gemeentekrediet in de gemeente”.

De titels die het Gemeentekrediet aanbood waren:

  • Kasbons op één jaar à 5,5% intrest, vrij van lasten, in coupures van 500 fr., 1000 fr., en 5000 fr.
  • Kasbons op vijf jaar à 5%. Zij werden uitgegeven aan de koers van de dag (toen 91%) en zouden terugbetaald worden à pari. De uitgave was in coupures van 500 fr., 1000 fr. of 5000 fr. Rekening houdend met de uitgiftepremie kon het rendement oplopen tot 6,78%.
  • Kasbons op zes jaar à 6%. Zij werden uitgegeven à 97%, vrij van lasten en in coupures van 500 fr. (485 fr. per coupure te betalen). Op 1 januari 1931 waren ze terugbetaalbaar à pari en door de instappremie steeg het werkelijke rendement naar 6,74%.

Door deze waarden aan te kopen, konden de particuliere inschrijvers de leenonderhandelingen van de gemeentelijke overheid met het Gemeentekrediet van België vergemakkelijken en tevens verzekerd zijn van een uitmuntende geldbelegging, die naast een hoge intrest een onbetwistbare zekerheid opleverde. Voor Zonnebeke moesten de inschrijvingen gebeuren via Robert Vanwalleghem, gemeentesecretaris en agent van het Gemeentekrediet.

Eind de twintiger jaren sloot de gemeente Zonnebeke een akkoord af met de “Société Générale de Distribution Electrique” om de gemeente te voorzien van elektrische stroom. Vanaf 1930 ongeveer begonnen de werken voor het distributienet (elektriciteitscabines, kabels, palen…) en kort daarna werd elektriciteit de energiebron voor lampen en lantaarns in de centrumstraten. Gedaan met de “lampe belge”, petroleumlantaarns of carbidlampen. In 1932 besliste de gemeenteraad al tot de uitbreiding van het elektrische net buiten de dorpskom. De landbouwers profiteerden er van om afromers, boterkarnen en andere machines van een elektrische motor te voorzien, wat de zware handenarbeid beduidend verminderde. Toch zou het tot 1947 duren voor alle inwoners waren aangesloten op het elektriciteitsnet want de Tweede Wereldoorlog heeft een snellere expansie verhinderd in onze deelgemeenten.