Kommer en kwel voor Zandvoorse boeren in de 17e eeuw

Het einde van de 16e eeuw was rampzalig voor onze streek. Tussen 1566 en 1579 trokken de Geuzen en Beeldenstormers moordend en plunderend door de regio. Er waren ook herhaalde misoogsten, bittere armoede, hongersnood, venerische ziekten en de ‘Zwarte Dood’ (de pest). Baanstropers, struikrovers en uitgehongerde wolven maakten de wegen onveilig. De periode is ook gekenmerkt door de ketter- en heksenjacht en de processen voor de Bloedraad.

Er ontstond een zware economische crisis en onze streek ging zelfs ontvolken toen in korte tijd 175.000 mensen emigreerden naar Nederland, Engeland of Duitsland. Sommige dorpen liepen volledig leeg en de Kasselrij Ieper moest gedurende drie jaar vrijstelling van heffingen en belastingen beloven om nieuwe inwoners uit Artesië en Picardië aan te trekken zoals te Passendale in 1580. Het waren mensen met nieuwe namen, gewoonten en levenswijze. De oorspronkelijke bevolking kwam niet meer terug en de streek was na 1590 nooit meer wat ze voorheen was geweest.

Een Zandvoordse telling van 28 december 1615 “omme te ghenieten vande redemptie van tmolaige” is bewaard gebleven in het Iepers Stadsarchief. Deze moulage betrof het maalrecht (belasting op malen) in die tijd. Alle personen boven de zes jaar werden in de volkstelling opgenomen. Er is eveneens een Zandvoordse lijst van weerbare mannen uit 1638 bewaard gebleven. In beide tellingen vinden we veel namen van Franse oorsprong terug.

De lijst van weerbare mannen werd opgemaakt omdat er een gebrek aan soldaten was. Vanaf 1636 had Frankrijk besloten de Zuidelijke Nederlanden (ons Vlaanderen), die onder Spaans bestuur stonden, in te lijven. Het was weer eens oorlog.

In 1645 bezetten de Fransen het kasteel van Komen in hun streven naar macht in de Leievallei. Het Franse leger zat dus vlakbij Zandvoorde dat het zwaar te verduren kreeg. Pas met de vrede van Westfalen in 1648 zou Komen terug in handen komen van de Spanjaarden maar 10 jaar later is de situatie weer omgekeerd. Het kat-en-muisspel zou duren tot 1713. Al die tijd zagen de Zandvoordenaren diverse legers al vernielend door hun dorp trekken.

In het Iepers Stadsarchief is een proces van 1652-1653 bewaard gebleven die een wondermooie illustratie is van de moeilijke leefomstandigheden van onze voorouders in die periode. Het is het proces waarin de weduwe Thomas Dugardeyn en haar buur Philippe Sarlez, beide kleine landbouwers, terecht staan omdat ze sinds zeven jaar de huur voor hun landbouwgrond niet meer betaalden aan eigenaar Joos Campe. Deze vroeg aan de rechter voor de Vierschaar te Ieper om beslag te mogen leggen op de vruchten, de ‘plantinge’ en de ‘huysinge’ van de weduwe Dugardeyn en Philippe Sarlez.

Ter verdediging brachten weduwe Dugardeyn en Sarlez aan dat ze veel schade hadden geleden door de oorlogsomstandigheden en dat ze zodoende niet konden betalen. Meer specifiek:

  • In 1645 was gedurende drie dagen een regiment soldaten van de hertog van Lorraine gelogeerd op hun hoeve’s, korte tijd nadien gevolgd door de Markies van Tourlon en zijn soldaten. Bovendien hadden in dat jaar “de Franschen alle de vruchten ghehaelt up deselfde parochie ende de kercke gheplundert binnen deselfde waerdeure Thomaes Dugardeyn groot verlies ghehadt heeft”.
  • In 1646 kwamen de Fransen dagelijks door Zandvoorde voorbij “principalick als ’t leger afquam van Kortryck, waerdeure dat ze groot verlies ghehadt hebben”.
  • Dat in 1647 Zandvoorde “ghedestroueert” (vernield) werd door de Spaanse soldaten “waerdeure dat sy oock groote schade gheleden hebben”.
  • Dat in 1648 de Franse soldaten het grootste deel van het koren van Sarlez hadden afgemaaid en dat hij zijn land niet meer mocht bezaaien van de belegeraars.
  • Dat in 1649 Philippe Sarlez eveneens verlies leed toen Ieper belegerd werd door de koning van Spanje en dat hij zijn vruchten, zijn hooi en koren verloor.
  • Dat in 1650 Sarlez grote schade leed ingevolge het logeren van drie compagnieën ruiters.
  • Dat in 1651 weduwe Dugardeyn en Sarlez het meeste van hun vruchten en hooi verloren door de passage van de troepen van de hertog van Wittenberghe. Kort daarna maakten zij opnieuw het logement mee van drie regimenten van Monsieur du Manijs en van een regiment Spanjaarden “die van Berghen (Winoksbergen) naar Kortrijck trocken”.
  • Dat Philippe Sarlez in 1652 opnieuw grote schade leed ingevolge diverse “logimenten en passeeringen van soldaten”.

Op 12 spetember 1653 velde de rechtbank vonnis. Men legde beslag op de goederen van Sarlez en weduwe Thomas Dugardeyn tot “ recouvre van de somme van twaelf ponden seventien schellingen zes deniers grooten over een vierde van de jaerpacht in dese gheheest (geëist) voor Baefmesse 1645, 1646, 1647, 1648, en 1649 mitsgaders dien helft van de drie volghende jaren, afslach darup ghedaen compenserende de costen van de processe”.

Het oordeel van de rechtbank was dus mild. De verweerders dienden immers maar een vierde van de pacht voor de jaren 1645 tot en met 1649 en de helft van de pacht voor de jaren 1650 tot en met 1652 te betalen. De rechtbank hield dus in sterke mate rekening met de oorlogsomstandigheden en de financiële moeilijkheden die de verweerders hierdoor kregen.

Dit proces schetst duidelijk een beeld van de situatie te Zandvoorde in 1645-1653. Door de passage van Franse en Spaanse troepen heerste bij de boeren (nochtans financieel-economisch niet de minsten in een dorp) armoede, voedselgebrek voor henzelf en hun dieren, honger… Die goede oude tijd toch!