Leuridans molen te Zonnebeke

Joannes Josephus de Stoop, getrouwd met de burgemeestersdochter Catharina Talpe uit Beselare, kwam in 1765 van Ledegem naar Zonnebeke wonen, waar zijn broer Guilielmus kloosterling was in de abdij en hij vroeg via notaris Roland Quetstroy uit Ieper, toelating om op 'de acht gemeten' van de abdij van Zonnebeke een oliewindmolen te mogen oprichten. Het octrooi werd op 7 oktober van dat jaar verleend door de Oostenrijkse keizerin Maria-Theresia. In de bepalingen van het octrooi stond dat de molen binnen het jaar na de verlening moest opgericht zijn. Zo verscheen in de loop van 1766 in de Molenstraat (nu Kleine Molenstraat waar Maria Hoflack woont) een houten staakmolen op een hoog stenen torenkot op cijnsgrond van de abdij. De molen had een rondgaande gaanderij die op verticale stellingpalen ruste. De stenen onderbouw was zo imposant dat de molen als een stenen molen werd bestempeld. Achter de molen bouwde Jean-Baptiste de Stoop het molenhuis. De de Stoop's, een invloedrijke olieslagersfamilie, behoorden tot de adel sinds 1556.

De molen had een tweeledige functie namelijk olieslagerij in het torenkot en snuifstampen in de oppermolen. Daarmee was de molen een unicum in zijn soort. Vóór de molen stonden op het erf altijd een grote hoeveelheid houten vaten opgestapeld. Hierin werd de olie opgeslagen en verhandeld. Afnemers waren zeepziederijen, schilders en verffabrieken. De molenaars waren dan ook geen ‘loonmaalders’ maar zij kochten zelf de ruwe producten (lijnzaad of vlaszaad en koolzaad) en verkochten dan geperste olie en lijnzaadkoeken. Bij de oprichting in 1766 was tabak snuiven een grote rage, vooral in Frankrijk. Er werd tienmaal meer gesnoven dan gerookt. In de houten kas van de molen werd daarom snuif gestampt. De snuifmolen had in die periode dus volop werk. Rond 1850 slaat de verhouding snuiven versus pijp en sigaar roken helemaal om en kort daarna wordt de snuifproductie stilgelegd.

Joannes Josephus de Stoop en Catharina Talpe hadden acht kinderen. Joannes werd een invloedrijke man op de gemeente en net voor de Franse Revolutie (+/- 1790) was hij zelfs baljuw. Rond de eeuwwisseling (toen hij ruim 60 jaar was) liet hij zijn ‘stampkot’ over aan zijn oudste zoon Pieter. Korte tijd later wordt Joannes Liefooghe de nieuwe eigenaar van de molen. Misschien werd de molen verkocht ter opheffing van onverdeeldheid bij de dood van Joannes de Stoop. Op 22 september 1815, na het overlijden van Joannes Liefooghe, wordt zijn schoonzoon Joannes Baptiste Vanheule de nieuwe eigenaar. De Vanheule’s waren bekende molenaars te Zonnebeke, onder andere op de Zonnebekemolen (Xavier). Jean-Baptiste Vanheule overlijdt op 25 mei 1832. Op 12 september 1832 wordt de molen openbaar verkocht en het is schoonzoon Fransiscus Renty (gehuwd in 1831 met Pélagie Vanheule) die de nieuwe eigenaar wordt. Op 5 oktober 1882 overlijdt Frans Renty. Zijn weduwe en later zijn kinderen Amand, Jules, Clemence en Octavie blijven eigenaar van de molen. Deze laatste huwde in 1862 met Henricus Leuridan, brouwerszoon en landbouwer uit Kemmel en ging ginder wonen. Na 1882 komt Octavie, inmiddels weduwe geworden, met haar vijf minderjarige kinderen naar Zonnebeke op de oliewindmolen. Tegen de eeuwwisseling wordt de zaak verder gezet door de broers Camille, ongehuwd, (de boer en olieslager) en Sylvère Leuridan (de zaakvoerder en handelaar). Op 19 februari 1914 huwt Sylvère met Eugenie Vandorpe. Het huwelijk bleef kinderloos. Vanaf 1919 is Sylvère vele jaren gemeenteraadslid te Zonnebeke. Op de molen was altijd minstens één olieslagersknecht. Henri Mylle, met “den oliebroek” als bijnaam, was de laatste in de rij. Olie slaan was inderdaad een vuil beroep.

Rond 1910 viel de olieproductie stil. De concurrentie van de ‘nieuwerwetse’ olieslagerijen (met hydraulische persen) was te groot geworden. Ook de sterk verminderde vraag naar organische lampolie (die door petroleum werd verdrongen) was oorzaak van de teloorgang van de oliemolens. Wel bleven de Leuridans nog handel voeren in olie, die ze aankochten bij Soubry in Moorslede, en chemische meststoffen en guano. De molen mocht nog slechts af en toe eens draaien om oliebrood (dierenvoeder) te pletten onder de pletstenen. In maart of april 1915 is de molen door het oorlogsgeweld voor eeuwig tegen de vlakte gegaan.

Een veldwegel verbond Leuridans molen met de Zonnebekemolen in de Langemarkstraat. Vanaf de molen liep ook een voetwegeltje parallel aan de Grote Molenstraat naar de Beselarestraat. Naast de molen stond een driewoonst, eveneens eigendom van de familie Renty. Het voorste huisje van de driewoonst was de herberg “’t Molentje”. In 1810 is Jacques Lemahieu er de uitbater en in 1863 is dat Charles Parrein. Petrus Vermeersch, alias Pé van ’t Meulentje, was de laatste herbergier. Vanaf de eeuwwisseling werd de driewoonst geleidelijk aan gebruikt als bedrijfsruimte (opslagplaats). Achter de herberg lag een bolletra “met een puuste” want halverwege vertoonde de hij een lichte verhevenheid. Hier werden regelmatig competities betwist met concurrerende boldermaatschappijen. Zo vonden wij nog een aankondiging in het weekblad “De Toekomst” van 23 augustus 1863.