Noodweer eist dodelijk slachtoffer te Passendale

Zondag 26 september 1875 was een bloedhete dag. Donder en bliksem konden niet uitblijven. In de nacht die er op volgde rond 03.00u in de morgen, brak de hel los boven Passendale. De hemel scheurde open met felle lichtflitsen en donderend gekraak. Bakken regen gutsten naar beneden. Het was benauwelijk.

Vooral de wijk de Kazakke (tegen de grens met Roeselare en Oostnieuwkerke) kreeg het erg te verduren. Een onvoorstelbaar harde donderslag en dito bliksemschicht sloegen in op een klein boerderijtje, dicht bij de herberg ‘De Kazak’. Deze herberg lag op de hoek van de Kleine Roeselarestraat en de Nachtegaalstraat. Nu woont hier de familie Jef Soenens-Vanheerswynghels. De kleine hoeve lag aan de rand van het bos dat zich uitstrekte in die omgeving en gekend was als het ‘Dulverinkbos’. Vóór de Franse Revolutie maakte het bos deel uit van het leengoed Dulverynckvelt van ‘111 ghemeten’ (49 ha) groot *.

Het hemelsvuur sloeg dus in op het bouwvallige huisje van keuterboertje Joannes (Jan) Joye en verraste de bewoners in hun slaap. Het dak en de zoldering vlogen aan stukken en de zonen Désiré en Pieter werden in hun bed door de bliksem (en/of de donder) getroffen. Pieter Joye was op slag dood, zijn broer voelde alleen een felle schok maar hij kon zich redden. Brand brak uit en vernielde in minder dan een uur de plak-en-stak-woning volledig. Het lichaam van de onfortuinlijke man was verkoold. Het was gruwelijk om aan te zien.

Pieter, de 30-jarige wever en zijn broer Désiré waren de ongehuwde zonen van de bejaarde Joannes Joye en Marie-Thérèse Pattyn. De materiële verliezen werden door de verzekeringsmaatschappij geraamd op 2.000 fr. De verslagenheid op de anders zo stille wijk en de solidariteit met het getroffen gezin waren bijzonder groot.

* Het Dulverynckvelt

Er zijn bijna evenveel schrijfwijzen voor deze heerlijkheid als er documenten over bestaan. Voor het eerst duikt de naam “Dulvynghe” op in een ‘denombrement’ (een schriftelijke beschrijving van een leen en/of een heerlijkheid met de daaraan verbonden rechten en plichten) van 1535 op naam van Walleram van Hollebeke, heer van Woumen. Hij houdt dit leen van de Zale van Ieper. Het is gelegen in de verste oostelijke hoek van Passendale (de wijk ‘De Kazakke’ dus) en het bestaat uit bossen, vijvers en veld. Een klein gedeelte van het leen lag in Langemark. Op het einde van de 16e eeuw kwam het leen in handen van Jan Coucke, heer van Volmerbeke. Hij verpachtte het aan Jan Baudens (de pachtbrief van 19 maart 1619 berust nu nog in het Rijksarchief van Maastricht). Na hem werd zijn dochter jonkvrouw Anna Coucke eigenares. Zij was getrouwd met Anthonio Gaillio Salamanca en woonde te Brugge. Op 15 december 1634 werd het leen aangeslagen (wegens verzuim van betaling van leenverhef, dat wil zeggen, administratiekosten en belastingen bij een denombrement) en het werd eigendom van de Zale van Ieper. In januari 1681 werd Jan Deeghbroot, heer van Volmerbeke de eigenaar. Op 16 oktober 1681 erft zijn nichtje Marie Deeghbroot het ‘Dulverickvelt’. Op 21 mei 1718 kwam het leen in handen van Louis van Rockelfingh en in 1738 werd Jan, graaf de Carnin van Staden, baron van Slyps, de nieuwe heer van de heerlijkheid. Op 16 april 1762 werd het leen Dulverynckvelt overgedragen op Louis-Emanuel van Rockelfingh, heer van de parochie en hoogheerschap in Nazareth, Volmerbeke en nog vele andere. Hij behield de eigendom tot aan de Franse Revolutie in 1794. Toen viel de feodale structuur als een kaartenhuisje ineen.