Oude spreuken rond Kerstmis en Nieuwjaar

Geen romantischer tijd in het jaar dan de kerst- en nieuwjaarsperiode. Geen wonder dat onze voorvaderen zoveel spreuken rond dit thema hebben nagelaten. Vroeger leefden de mensen dicht bij de natuur, op het ritme van de seizoenen. (Weer)spreuken waren dan ook een wezenlijk onderdeel van het dagelijks leven en ze waren steeds doordrenkt van veel levenswijsheid en humor. Daarnaast beleefden ze in de spreuken hun taal in haar meest pure vorm, ontdaan van alle franjes, kernachtig en mooi. Spreekwoorden kruiden onze taal. Laat ons daarom de jaargang van “Uut vroegere tyden” afsluiten met enkele mooie oude spreuken.

1. December

December veranderlijk en zacht,
een hele winter zonder kracht.

December zacht en dikwijls regen,
geeft weinig hoop op zegen.

Decemberwind uit de oost,
brengt de zieken weinig troost.

December koud en welbesneeuwd,
maakt de grote schuren te klein.

Brengt december kou en sneeuw in ’t land,
dan groeit het koren zelfs op zand.

Heeft men in december slechts vorst en slijk,
dan worden de dokters rijk.

December vol mist,
geeft goud in de kist.

2. Kerstmis

Geeft Kerstmis warme zonneschijn,
dan zal er met Pasen nog houtvuur zijn.

Vliegen met Kerstmis de muggen rond,
dan dekt op Pasen het ijs de grond.

Te Kerstmis op de straete,
te Pasen op de plaete (kachel).

Kerstmis in de sneeuw,
Pasen in de modder.

Kerst vochtig en nat ,
geeft lege zolder en vat.

Veel wind in de kerstdagen,
de bomen manden vol vruchten dragen.

Volle maan met Kerstmis,
volle schuur met augustus.

Kerstmis helder en klaar,
geeft een gezegend honingjaar.

Als de zon schijnt met Kerstmis op de toren,
dan is de hoop op vlas verloren.

Is het met Kerstmis nog niet koud,
dan gebruikt de winter niet veel hout.

3. Nieuwjaarsdag

Al wat komt voor Nieuwjaarsdag,
is nog geen winterslag.

Schijnt de zon op nieuwjaar,
dan wordt het een goed appeljaar.

Nieuwjaarsnacht rein en klaar,
beduidt een vruchtbaar jaar.

Draagt de Nieuwjaarsdag een sneeuwwit kleed,
dan is de zomer zeker heet.

4. Driekoningen

Als ’t Driekoningen is in het land,
stapt de vorst in het vaderland.

Als het vriest op dertiendag,
dan vriest het dertien weken lang.

De Drie Koningen doen de dagen lengen,
en de nachten strengen.

Met Driekoningen lengt de dag,
zoveel een geitje springen mag.

De dagen van Nieuwjaar tot dertiendag zijn gelingd,
binst dat ’n hond over ’n richel springt.