Van taliehout en kanthagen

Talie is een oud woord dat thans in onbruik is geraakt. Het is ontleend aan oud Frans (tail, bois de tail) en betekent hakhout of schaarhout. Het is dus hout dat afgehakt wordt (tailler = afkappen). In onze streek kon men zowat overal taliehout vinden, hetzij als onderhout in bossen van hoogstammige bomen of als boomscheuten, hetzij als taliebos alleen. Bos en hout betekenden rijkdom in de 19e eeuw want bos leverde hout, vruchten en vlees (wild). Om de drie jaar was bij een bos een openbare verkoping van taliehout, boomstammen, tabaks- en diltepersen en alaamstelen.

Nog meer opvallend in onze streek waren in de 19e eeuw de talrijke kanthagen. Kanthagen zijn lange rijen taliestruiken die de partijen land of weiden omzomen. Beken of waterlopen waren ook soms met kanthagen afgeboord.

Om die kanthagen aan te planten werden verschillende soorten houtgewas gebruikt. Meestal gebruikte men witte of zwarte els. Eik, berk en hazelaar kwamen ook voor. Hier en daar kwam zelfs een sleedoorn voor met zijn mooie witte bloemen in de lente. De kastanje was zeldzamer. Deze talie was immers duur en moest langer groeien. Zijn mooie rechte 12- tot 15-jarige scheuten werden gespleten tot banden of hoepels voor tonnen. Sommige brouwers plantten hiertoe zelf kastanjetalie voor eigen gebruik.

Het hout van de kanthagen werd verkocht als brandhout. In de 19e eeuw werd het ook dikwijls gebruikt om zompige plaatsen in de aardewegen op te hogen en te verstevigen. Geen wonder dat een boer die veel kanthagen op zijn boerderij had staan daar een schone stuiver aan verdiende. Soms bracht het hout rond het land meer op dan het land zelf.

De pachter had het recht om het hout van de kanthagen te verkopen en dit ter compensatie voor het verlies door uitzuiging van de grond ernaast en de afscherming van zonneschijn. Toch was de opbrengst rendabel en de moeite waard om de hagen goed te onderhouden. Sommige landbouwers konden tot meer dan de helft van de jaarpacht van hun hoeve betalen met de opbrengst van de talie. Bij overname van een hofstede werd door een deskundige dan ook steeds een schatting gedaan van de waarde van de ‘staande talie’ en hiervoor moest door de overnemer aan de overlater ‘prezie’ betaald worden.

Het beheer van die kanthagen vergde een zekere kennis van toezicht en onderhoud. Normaal werd een kanthaag om de zeven jaar gekapt, de zware talie om de tien of zelfs twaalf jaar (kastanje). Dit gebeurde vanaf het vallen van het blad (november) tot in de uitkom (maart). Een goede houthakker moet de takken of de scheuten zeer schuin afhakken opdat niet te veel water in het hart van de struik zou kunnen binnensijpelen en er verrotting veroorzaken.