Verdoeming over de kerk van Beselare

De eerste kerk te Beselare werd opgericht in de 11e eeuw. Het was een gift van Fulpoldus, kastelein van Ieper, die samen met zijn echtgenote Ramburga te Zonnebeke woonde (oorsprong van de heerlijkheid van Rolleghem). Fulpoldus vroeg en kreeg van bisschop Drogo van Terwanen, in 1072 de toestemming om een kapittel te stichten te Zonnebeke met drie kanunniken en in 1087 kreeg het kapittel het patronaat over de kerk van Beselare. De eerste kerk van Beselare (eerder kapel) zal waarschijnlijk een houten constructie geweest zijn die een eeuw later werd vervangen door een gemetste kruiskerk, opgetrokken in bergsteen.

Deze kerk, die in de loop der eeuwen al enkele verbouwingen en wijzigingen had ondergaan, werd plat gebrand tijdens de beeldenstorm van 1579. De parochie was zodanig verarmd en de streek zodanig verlaten dat het duurde tot 1605-1610 tot Maximiliaan van der Woestyne, de heer van de heerlijkheid, ze op zijn kosten liet herbouwen in laatgotische stijl. Het werd een prachtige driebeukige kerk met monumentale toren boven de ingang. De gemetste gewelven in het koor en de beuken, doorkruist van ribben en steekbanden gaven haar een uniek uitzicht.

In 1779 werd de toren versierd met vier hoektorentjes en een gaanderij. In 1784 werd door E. H. Van Calbergh aan de noorderbuitenmuur een kunstige calvarieberg aangebracht en in de buitenmuren rondom waren verscheidene grafzerken en gedenkstenen ingemetseld voor de notabele families Duval, Verbrugge, Soete, Waterloos, Delefortrie, Delobel, Gryson en de adellijke heren Van der Woestyne.

Op 9 november 1800, tijdens de Beloken Tijd (alle kerken waren toen gesloten), woedde een hevige storm in de streek. De hoge naald van de kerktoren viel naar beneden en vernielde het dak van de middenbeuk. Na de Beloken Tijd (1802) voorzag men, wegens geldgebrek, de toren van een plat dak. In 1826 schonk Hubrecht Waterloos een nieuw hoogaltaar aan de kerk.

Op 28 mei 1847 in de morgen raasde opnieuw een geweldig onweer over Beselare. De bliksem sloeg in op de kerk en bracht grote schade toe aan de toren. Leien en planken vlogen in het rond, dikke balken werden gespleten en loden dakgoten lagen overal verspreid. De schade werd op ruim 1.000 fr. geschat. Slechts in 1872 werd de toren in zijn oorspronkelijke staat hersteld, met naald en de hoektorentjes, volgens het plan van bouwkundige Heynincx uit Brugge. Ook werd de toren met een reling en tuin omzoomd. Om meer weerstand te kunnen bieden aan het zwieren van de klokken werd in de toren in 1890 een nieuwe klokstoel geplaatst, rustend op zware ingemetselde kraagstenen.

Vanaf de eerste dagen van de Eerste Wereldoorlog in onze streek lag de kerk in het oog van de storm. Op 21 oktober schoten de Duitsers een grote opening in de oostkant van de toren, net onder de galmgaten. De kerk werd ingericht als veldhospitaal, waar vooral Duitse gekwetsten aan de lopende band werden verzorgd en zelfs geopereerd in de sacristie. Matrassen en dekens uit de omliggende woningen werden aangesleurd. Alle liturgisch linnen werd aan flarden gescheurd om noodverbanden te leggen. Steeds meer gekwetsten werden aangevoerd, geen enkel plaatsje bleef onbezet en dit terwijl soms hevig geschut de kerk deed daveren op haar grondvesten. Op 23 oktober stortte de noorderbeuk in. De kerk was herschapen in een afzichtelijk bloedbad. De kerk werd ontruimd, het was er onhoudbaar geworden. Op 1 december 1914 werd de torennaald door de Engelsen afgeschoten. Zij kantelde op het middenschip. Toch bleef de torenblok rechtstaan tot in 1917. Na het Engels herfstoffensief bleef alleen nog de voorkant over naast enkele pilaren en muurgedeelten. Tijdens de doorbraak van 28 september 1918 zijn de resten van de mooie kerk onder nooit gezien trommelvuur volledig met de grond gelijk gemaakt.

In 1923-1925 werd op dezelfde plaats een nieuwe kerk (de derde) gebouwd, een bijna identieke kopie van de vernielde. Ze werd opnieuw in gebruik genomen op Sinksen 1925.