Vervoerdienst Passendale - Roeselare 100 jaar geleden

Honderd jaar geleden ‘vlogen’ geen zware vrachtwagens door onze dorpen. Trouwens de smalle strook kinderkopjes in het midden van de baan zou dit ook niet toegelaten hebben. Af en toe hoorde men van ver klingelende koperen belletjes naderen. Het waren de bellen aan het gareel van het paard van de voerman. Zowat iedere gemeente had zijn voerman(nen). In Passendale waren er Camiel Verbeke van aan ‘De Katrol’ en de gebroeders Alois en Francis Vanelslande.

In de notulen van de gemeenteraad van Roeselare konden we de goedkeuring lezen van een aanvraag voor vervoerdienst Passchendaele – Rousselare door Camiel Verbeke in 1900. De letterlijke tekst luidt als volgt:

Gezien den brief van den heer Gouverneur van West-Vlaanderen, W 296/7 1e Art. 2 afd. in dagteekening 19 october 1900, aan de goedkeuring van den gemeenteraad onderwerpende, de vraag van Camiel Verbeke, te Passchendaele, om de toelating te bekomen van zijnen wekelijkschen vervoerdienst tusschen Passchendaele en Rousselare wettelijk in te richten in eenen openbaren regelmatigen vervoerdienst per rijtuig met vier wielen, bevattende 22 plaatsen voor reizigers die zich met hun reisgoed en koopwaren den Dinsdag van iedere week naar de markt van Rousselare komen.
Gezien het onderzoek van Commodo over het nut der onderneming, den doortocht en het beloop des tariefs, geopend te Rousselare den 21 october 1900 ingevolge het art 8 van het Koninklijk Besluit van 2 oogst 1893, dat geene aanleiding heeft gegeven tot de minste opmerking.
Besluit met algemeene stemmen.
De vraag van den heer C. Verbeke mag toegestaan worden.
Gedaan in openbare zitting van den 10 november 1900.
De gemeenteraad.

De voermannen waren doorgaans welstellende zelfstandigen, althans als ze niet te veel last hadden van de dorst. Vooral tussen de oorlogen, tot de opkomst van de vrachtwagen, deden ze gouden zaken. Zij reden op en af naar Roeselare en Ieper om allerlei koopwaar af te halen in de magazijnen voor de plaatselijke winkeliers en neringdoeners zoals smeden, wagenmakers, metsers, timmerlieden, bakkers… Wekelijks brachten zij ook spullen mee die de plaatselijke inwoners hadden gekocht op de markt of in één of andere winkel in de stad maar ze niet onmiddellijk konden meenemen met de fiets of te voet wegens te groot of aanpassingen. Elke dinsdag en zaterdag brachten zij met hun ‘diligence’ de boerinnen van ter plaatse met hun boter- en eierkorven naar de markt te Ieper of Roeselare. De diligence was eigenlijk een char-à-banc, overdekt met een dekzeil waarin glazen ruitjes. De ijzeren velgen dokkerden op de bonkige kasseien maar er was toch veel plezier aan boord. De voermannen waren meestal ook van de partij bij verhuizingen en zelfs lijken vervoeren was geen uitzondering. Als iemand stierf die ver van de kerk woonde, moest de voerman vaak een handje toesteken. De lijkkist werd in de diligence geplaatst op een bundel stro en werd tot op 100 m van de kerk gevoerd waarna de dragers de kist overnamen.

De voermannen hadden natuurlijk hun vaste plaatsen waar zij samenkwamen zoals te Ieper op de Kiekenmarkt. Daar werden (naast de pintjes) pakjes meegegeven van de ene voerman aan de andere om onderweg af te leveren.

Henri, de zoon van Camiel Verbeke, ook wel Ganze genoemd, was ondertussen getrouwd en ingetrokken in de herberg ‘Het Nooit Gedacht’ aan de Broodseinde. Hij zette de lucratieve stiel van vader verder. Hij was een bijzonder populaire figuur, vooral bij de cafébazinnen. Zijn paard sloeg zonder commando af aan de vele stamkroegen. Op een zondag had hij eens zijn diensten aangeboden om de muziekmaatschappij Sint-Cecilia van Zonnebeke naar Westrozebeke te voeren voor een optreden. Toen ze laat op de avond huiswaarts keerden was iedereen zo dronken dat het gespan in de gracht belandde. Gelukkig werd niemand ernstig gewond.