home > vroeger > uut vroegere tijden 2005 > Soldaat van Napoleon schrijft naar Zonnebeekse nonkel

uut vroegere tijden

Soldaat van Napoleon schrijft naar Zonnebeekse nonkel

Tijdens het Franse bewind onder het keizerschap van Napoleon vanaf 1799 kreunde onze bevolking onder de verfransingpolitiek. Het was er hem om te doen zelfs de taal van onze mensen uit te roeien.

Elk jaar had ook de loting plaats voor het aanwerven van soldaten. Die een slecht nummer trok werd voor verscheidene jaren opgeroepen tot de krijgsdienst en de oorlogen eindigden maar niet. Onze jongens werden ingelijfd in regimenten met soldaten wier taal ze niet spraken en wiens levenswijze ze verafschuwden. Velen hebben hun huis nooit meer teruggezien. Het was dan ook met de dood in het hart dat Vlaamse ouders hun zonen zagen vertrekken.

Jacobus Demey, geboren te Elverdinge op 13 mei 1784, was als zoon van Jacobus Ignatius Demey (geboren te Passendale) en van Catherina-Theresia Baelen (geboren te Zonnebeke) gedurende jaren soldaat in het leger van Napoleon. Zijn ouders huwden te Zonnebeke op 24 november 1783 en vestigden zich op een hoeve te Elverdinge. Vanaf zijn twaalf jaar verbleef Jacobus Demey bijna onafgebroken op de hofstede bij zijn oom Philippus Baelen (laatste hoeve in de Langemarkstraat links; nu dierenspeciaalzaak “De Bosrand”) en hielp hem op het landbouwbedrijf. De familie Baelen woonde sinds eind de zestiende eeuw op deze hoeve. Philippus Baelen had slechts één kind, Catherina-Theresia, die in 1818 huwde met Petrus Van den Bulcke, later gemeenteraadslid en schepen te Zonnebeke. Zij beboerden verder dezelfde hofstede.

Jacobus Demey werd voor het leger opgeroepen in 1806. Achtereenvolgens vocht hij te Verona (Italië) in februari 1807, te Alle (Pruisen) in mei 1807, te Boezemburg in november 1807, te Bremen (Duitsland) in februari 1808, te Chambéry (Frankrijk) in februari 1809 en in Nederland in 1810 en 1811. In de archieven zijn vier brieven van zijn hand bewaard gebleven, geschreven van op diverse slagvelden naar zijn oom Philippus Baelen te Zonnebeke. Hun toon en inhoud verraadt duidelijk de onmenselijke levensvoorwaarden van de vele Vlaamse jongens die geofferd werden voor Napoleons heerszucht.

De eerste brief werd verstuurd vanuit Alle op 17 mei 1807. Hierin vertelt hij dat zijn regiment op 11 april vertrok vanuit Verona. Na 17 dagen marcheren, zonder rusten, kwamen ze aan te Floesburg. Na drie dagen rust bereikten ze Alle op 13 mei. Daar blijven ze tot nadere orders. Hij verzoekt de familie om te gaan ‘dienen’ naar Halle of naar Onze-Lieve-Vrouw van de Frezenberg te Vlamertinge en er vijf missen te horen. Hij vraagt het met aandrang want hij heeft het zelf beloofd aan O.L. Vrouw.

De tweede brief komt uit Bergen op Zoom in Nederland, gedagtekend 26 mei 1810. Jacobus is in goede gezondheid. Veel van de oudste soldaten zijn de laatste tijd uit het leger ontslagen maar dat positief verhaal is nu voorbij. Zij zijn met Nederland in een slecht land terecht gekomen want alles is er verschrikkelijk duur. Het gerucht loopt dat ze straks naar Turkije moeten om te vechten. Hij vraagt aan zijn oom om zes Franse kronen (toenmalig geld) te willen opsturen om af en toe wat extra voedsel te kunnen kopen in het dure Nederland.

Op 8 augustus 1810 schrijft Jacobus Demey vanuit Amsterdam een nieuwe brief naar zijn oom. Hij stelt het nog steeds goed maar smeekt om wat meer nieuws van het thuisfront, van de zusters en de broers. Hij is vooral benieuwd naar het resultaat van de loting van zijn broer.

De laatste brief komt uit Utrecht en werd geschreven op 14 november 1811. Hierin schrijft hij dat het niet goed gaat met zijn gezondheid. Op 29 juli werd hij opgenomen in het hospitaal te Amsterdam. Van daar werd hij overgebracht naar de kliniek van Utrecht en later Leiden. Nu is hij terug in zijn regiment maar hij voelt zich nog helemaal niet goed en hij denkt dat hij uit het leger zal worden ontslagen. Hij klaagde over te weinig eten in de hospitalen: “niet anders dan boloen (bouillon) om te drinken”. Hij heeft het hospitaal moeten verlaten omdat hij geen geld meer had om wat voedsel te kopen en hij smeekt opnieuw dat oom Philippus hem twaalf Franse kronen zou opsturen.

Het was zijn laatste brief. Sindsdien werd nooit meer iets over hem vernomen.