Kanonnier B. Stokes, 13de bataljon New Zealand Field Artillery, getuigde over de Slag van Passendal
“De kanonnen van de geschutseenheid C en D werden als eerste naar voren verplaatst en het was een forse klus om die op hun plaats te krijgen door die zee van modder en slijk. Ze moesten er acht paardengespannen bij halen om het voor mekaar te krijgen. Ons span was er om 7u30 en juist toen we aan het proberen gingen om ons kanon weg te krijgen zei luitenant Chirnside dat we op onze S.O.S.-linie moesten blijven omdat de weg was geblokkeerd door granaatvuur. Hij had zijn hielen nog niet gekeerd of we hoorden aan het geluid van een overkomende granaat dat hij ergens heel dicht in de buurt zou neerkomen. We gingen plat op de grond liggen en inderdaad, die granaat kwam maar drie meter van ons af neer.De volgende minuten kan ik niet goed beschrijven. Zo groot was de schok en zo afschuwelijk zag het er uit.Toen de rook was opgetrokken, zagen we daar vier van onze jongens liggen; dood. Toen begonnen twee gewonden te gillen; Brown had twee verbrijzelde benen en luitenant Chirnside zat helemaal onder de verwondingen. Brown’s broer, die ook in onze eenheid zat, was helemaal van de kaart. We droegen hen naar de verbandplaats en Brown bleef daar bij zijn broer tot die werd weggebracht (1). U kunt zich niet voorstellen hoe wij ons voelden. De granaataanval bleef nog een halfuur doorgaan. Granaten, granaten, granaten. Het was een walgelijk gezicht; de wind en de regen die neerkletterde, de paarden die hinnikten van angst, steigerden en neerkwamen in de modder terwijl er om ons heen allemaal granaten explodeerden. Het leek wel of de moffen al hun wapens op dit kleine stukje grond hadden gericht. We moesten het kanon achterlaten en zo goed of zo kwaad als het ging ergens dekking zoeken. Uiteindelijk gingen we terug toen het granaatvuur begon af te zwakken en we spanden de paarden voor het kanon.
Het was ’s middags vijf uur voordat we bij de nieuwe positie aankwamen en toen moesten we het kanon nog opstellen. We kregen maar vier van de zes kanonnen van onze eenheid. Bij de meeste eenheden ging het precies zo, of nog slechter, wat de vooruitzichten voor de volgende dag niet geweldig maakte. We moesten zorgen voor een ‘zwaar’ bombardement voor onze stormtroepen en hun aanval zou om 5u25 beginnen. Zodra we het kanon op zijn plek hadden gesleept, gingen we daarom op zoek naar een plekje om de nacht door te brengen. We vonden een kleine lege bunker met dertig centimeter water erin, die binnenin niet erg fris rook. We legden er wat planken in, zodat we niet in het water zouden liggen. Er was geen ruimte om languit te liggen. We zaten op munitiekisten te luisteren naar de regen en de storm daarbuiten en wachtten tot het ochtend werd.
De hele ochtend tot ongeveer 11 uur vuurden we volgens plan. We verhoogden het bereik om de zoveel tijd, zodat het overeenkwam met de geplande afstand die de infanterie moest afleggen. Wat was het een tegenvaller toen we orders kregen om ons oorspronkelijk bereik weer aan te houden. We beseften toen dat het de jongens helemaal niet gelukt was om vooruit te komen. We hadden bij het vuren flinke problemen met het kanon. Steeds als we een schot afvuurden, zakte de staart diep in de modder, dus moesten we die na elk schot weer proberen op te tillen en het kanon weer afstellen voordat we weer konden vuren. Het was een ramp en we wisten dat het vóór ons ook niet goed ging. In de loop van de ochtend begonnen de gewonden naar achter te komen en onze batterij leek een tijdlang meer op een hulppost. Er zaten vrij zwaar gewonden bij, maar we konden niet veel doen, behalve hen ertoe aanzetten door te lopen naar de verbandplaats.
Ons granaatvuur werd nog zwakker, want twee van onze kanonnen waren volledig in de modder weggezonken en er was geen beweging meer in te krijgen. Heel onverwacht, toen we ons vreselijk beroerd voelden over alles, kwam daar ons bataljon Maori Pioneers aan. Wat was dat geweldig om zien. Ongeveer veertig van die kerels aan elke kant van het kanon, tot aan hun knieën in de modder, die touwen vastmaakten aan de wielen en het zo weer in de juiste positie trokken. Om twaalf uur kregen we te horen dat we de kanonnen weer in actie moesten zien te krijgen, want de aanval was opnieuw gepland voor 15 uur. Gekkenwerk”!
(1) Kanonnier Brown herstelde van zijn verwondingen en heeft de oorlog overleefd