Bende van Bakelandt slaat ook toe te Passendale

De beruchte en gevreesde Bende van Bakelandt pleegde 22 criminele aanslagen of andere delicten tussen juli 1799 en begin 1801. Aanvankelijk (onder leiding van Jean Augustin Busschaert uit Staden) lag het actieterrein vooral in de driehoek Roeselare, Diksmuide, Ieper. Later, met Bakelandt zelf als onbetwiste leider, opereerde de bende veeleer in het Houtland.

Ook onze gemeente kon niet aan de dans ontsnappen. Een stoutmoedige nachtelijke inbraak bij landbouwer Pierre François Depuydt in de ’s Graventafelstraat (toen Chemin nr.1) te Passendale werd zeker in de hand gewerkt door het feit dat Pierre Joseph Cloet, wonende op de wijk ‘t Meshaekveld te Passendale, aanvankelijk één van de kopstukken van de bende was, zijn slachtoffers waarschijnlijk goed kende en wist dat ze er ‘warmpjes inzaten’. Cloet was ongetwijfeld de initiatiefnemer en organisator van de overval. Vast staat dat de misdaad reeds een paar maanden voordien werd voorbereid ten huize Busschaert te Staden. Er werd toen afgesproken dat Busschaert de mannen van Staden zou ronselen en Cloet vijf kompanen uit de omgeving van Ledegem zou mobiliseren. Er werd immers veel volk voorzien.

Op dinsdagavond 26 november 1799 verzamelden Bakelandt en zijn trawanten in de woning van Jean Augustin Busschaert. Het gezelschap trok via Westrozebeke naar Passendale. Tijdens de doortocht te Westrozebeke werden nog twee flessen jenever opgeslagen in de herberg “Gildhof”. Ten huize Cloet aangekomen troffen ze er de opgetrommelde mannen van de Koolbrandershoek uit Ledegem en tijdens de ultieme voorbereiding van de inbraak werden de flessen jenever soldaat gemaakt. De ‘opgewarmde’ bende, 12 man sterk, vertrok midden in de nacht naar de hoeve Depuydt.

Vermoedelijk wilden de criminelen inbreken via de oostzijde van de boerderij. Het gebouw was echter zeer solide en noodgedwongen moesten de inbrekers hun strategie herzien. Ze werden zenuwachtig en gingen daardoor bijzonder driest te werk. Met een in de schuur gevonden balk beukten ze de voordeur in en begonnen hun rooftocht in de woning. Enkele rovers hielden buiten de wacht. De vier bewoners, die alle reeds in bed lagen, werden aan handen en voeten gekneveld. Pierre François Depuydt en zijn zoon, eveneens Pierre François (60 jaar), sliepen in hetzelfde bed. Dit deden ook de ongehuwde dochters Rose-Constance (46 jaar) en Marie Joanna (36 jaar). Vader en zoon werden uit bed getild en op de grond gelegd. Toen zij niet geneigd waren om te antwoorden op de vraag waar het geld en de juwelen te vinden waren, werden ze bedreigd met het verbranden van de voetzolen. Cloet verhinderde deze gruwelijke intenties. Toch vonden de schurken heel wat geld en waardevolle voorwerpen. Ze keerden naar het huis van Pierre Joseph Cloet terug en verdeelden er het geld. De gestolen gebruiksvoorwerpen (lakens, garen, twee overjassen, hemden, boter, brood, goud en zilverwerk) gingen Cloet, vader Busschaert en Pierre Jacques Verplancke ’s anderendaags verkopen te Ieper.

De overval heeft de familie Depuydt sterk getekend. Korte tijd na de feiten, weliswaar op 87-jarige leeftijd overleed Pierre François. Dochter Rose-Constance werd na het voorval krankzinnig. Zij overleed in 1813, haar oudste broer Pierre François in 1817 en Marie Joanna in 1820. Tijdens de overval was een andere inwonende ongehuwde dochter, Catharine (44 jaar), niet thuis. Zij overleed in 1815 op 60-jarige leeftijd.

De 12 deelnemers aan de nachtelijke rooftocht werden in 1801 of 1802 opgepakt en ze werden op 20 augustus 1803 alle ter dood veroordeeld. Het vonnis (onthoofding met de guillotine) werd voltrokken op 2 november 1803 op de markt te Brugge.