'Coopmanscepe' in 't Swaentje te Beselare in 1568

Begin september 1568 werd een ‘coopmanscepe’ (koopmanschap of verkoping) afgehandeld ‘ten huuse’ van Maarten Pauwels de jonge (= zoon van Maarten), de waard van herberg ’t Swaentje te Beselare. Gheraert Vansteenkiste verkocht er ‘eene bayde merrie’ (een roodbruin vrouwelijk paard) en ‘eene zoole’ (een zware ploeg) aan François Agaete de jonge, voor de som van 25 ponden parisis (Parijse ponden, het toen gangbare geld). Paard en ploeg werden terstond geleverd. De eerste betaling van 12 ponden moest nog in september geschieden, voor de rest werd overeengekomen te betalen op Allerheiligendag (1 november).

Blijkbaar werd aan de afbetaling niet voldaan. Gheraert Vansteenkiste heeft namelijk een klacht ingediend tegen François Agaete. Op 16 december 1569 worden voor twee schepenen te Ieper (Schoris en Carette) twee getuigen verhoord op verzoek van Gheraert Vansteenkiste. De getuigen waren de Beselarenaars Jan Couckuut, ongeveer 50 jaar oud, en Dierck Ruebrecht, 36 jaar, beiden aanwezig bij het afsluiten van de verkoop. Het getuigenis van Jan Couckuut klonk als volgt:

“Informatie ghehoort up den XVIen in decembre 1569, ten versoucke van Gheraert Vansteenkiste de jonghe, verweerdere, jeghens Franchois Agaete de jonghe, verweerdere, present Schoris ende Carette, schepenen van Ypre. Jan Cockuut woonende binnen de prochie van Becelaere, oudt 50 jaren ofte daeromtrent, ghetuucht ende verclaerst bij solempnele eede up ’t eerste article van ’s heesschers heesch, bij ende anne gheweest hebbende ten huuse van Maerten Pauwels de jonghe, binnen der zelver prochie, aldaer den heesschere den verweerder vercochte eene bayde merrie ende eene zoole, voor de somme van 25 ponden parisis, welcke hem verweerdere stappans ghelevert was, te betalen 12 ponden parisis in de maend septembre XV hondert 58 ende de reste ter Allerheilighenmesse daer naervolghende, naer zijne beste onthouden, welcke coopmanscepe ghebuerde zesse weecken voor de zelve Meenen feeste, aldaer oock bij ende anne was Dierck Ruebrecht ende Denys Vandewalle”.

Bovenstaand vuil zaakje met gerechtelijke nasleep is het eerste schriftelijk spoor van de aloude herberg-afspanning. “De Zwaan” of “’t Zwaantje” stond op de noordwestelijke hoek van het kruispunt gevormd door de (huidige) Beselarestraat en de Oude Kortrijkstraat, overgaand in de Dadizelestraat. Deze herberg kent een heel lange geschiedenis.

In 1572 vinden we alweer een vermelding in een processtuk van 20 februari waarin “Maerten Pauwelin, filius Maertens (zoon van Maerten), weerdt van de Suaene (Zwaene) te Becelaere, oudt 54 jaeren ofte daeromtrent”, optrad als getuige tegen molenaar Jan Van Meenen van de Molenhoekmolen.

Ook in 1640 is “De Swaene” (op een pijnlijk manier) in de aandacht gekomen. Op 18 september van dat jaar werd Maiken De Vaght, echtgenote van Joris Dewilde, de waard van De Swaene, begraven te Beselare. Zij overleed aan “… de contagieuse sieckte…” (de pest).

Lucas Craye, rechter inzake boedelscheiding die de staat en de verdeling van de goederen van Maiken De Vaght opmaakte en afsloot op 28 december 1640 getuigt voor de rechtbank: “… dat in deselve rekeninghe wierden ghebrocht diversche partien soo van leveringhe van coorne, broot, vleesch, eyeren, boter, souffraen, ende andere, ghedaen gheduerende den tijd den verweerdere (Joris De Wilde) hadde gheweest in de contagieuse sieckte…” Deze leveringen werden gehaald bij Inghel Terrier, “…sonder gelt…” die alles bijhield op “…bouckskens…” of zelfs schreef “… up eenen schaubalc met calc…”.
In deze “bouckskens” stond verder nog genoteerd: “… verteert bij Jacques De Wilde, als synen vader in de sieckte waren, ende heeft het up den vader (rekening) ghelaeten, heeft verteert met synene broeder den 25en januarij 1640, de somme van 9 schellingen,… item van bier ende van brandewyn als zij in de sieckte waren…”. Tijdens het verhoor van 22 november 1641 getuigde Nicolaas De Wilde, zoon van Joris, 17 jaar oud “… dat hij ten versoucke vanden verweerdere (zijn vader) heeft ten huyse van de heesschere (Inghel Terrier) ghehaelt sonder gelt, omtrent voor eenen daelder ofte 6 schellingen bier, ’t welk was ten tijde den verweerdere en hij onder sieckte waren…”.

Uit de gerechtelijke notities blijkt dus dat verschillende huisgenoten besmet waren door de pest. Slechts Maiken De Vaght, echtgenote van herbergier Joris De Wilde, overleed.

De Zwaan was naast herberg en afspanning ook een boerderijtje van ongeveer zes gemeten (2,5 ha). Gedurende de 17e en de 18e eeuw wordt “De Swaen” herhaaldelijk vermeld als referentiepunt bij plaatsbepalingen: “… de weg leedende van de plaetse naer de Swaen…”. Gekende herbergiers-landbouwers waren toen Pieter Blaecke in 1740, Karel Wallegem in 1762, Joseph Pippe in 1779, Martin Pauwels in 1784 en Benedict Degroote in 1793. Volgens een volkstelling, bevolen door Keizerin Maria-Theresia van Oostenrijk, op 29 oktober 1779, werd de herberg heropgericht in 1757 met de ‘verbaele permissie’ van markies Maximiliaan Vander Woestine. Betekent dit dat de herberg eigendom was van de kasteelheer en dat zij voordien een tijd niet meer bestond?

Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was Henri Buyse de herbergier. De eerste naoorlogse uitbaters waren Richard Billiet en Florence Vandamme. De laatste uitbaters waren Cyriel Depla en Marceline Vanhee. In 1969 moest de eeuwenoude herberg plaats ruimen voor de heraanleg van de vernieuwde en bredere provinciebaan. Op de resterende grond van het pand hebben Gino Vandecasteele en Agnella Taillieu een nieuwe woning opgetrokken.