De Geluveldmolen

De heren van Geluveld waren eigenaar van de banmolen op hun heerlijkheid. De banmolen of dwangmolen is de molen binnen een ban (het rechtsgebied van de heer). De onderhorigen van de heer waren verplicht hun koren op die molen te laten malen. Alleen de heer had het recht op zijn grondgebied een molen op te trekken. De molen bestond zeker reeds in 1641 want hij staat getekend op de kaart van Antonius Sanderus van die datum. Toen was Jan de Vooght de heer van Geluveld. Waarschijnlijk bestond hij toen al ongeveer 150 jaar want Antheunis van der Stoct, tweede heer van Geluveld, was eigenaar van een ‘behuusde hofstede’ en bezat het recht om een ‘wyntmeulne’ op te trekken in 1473. In de Archives Départementales du Nord te Rijsel vonden we dat de windmolen van Geluveld in 1480-1490 vernield werd om pas in 1550 weer te verrijzen krachtens een octrooi van keizer Karel. De banmolen was een staakmolen met gesloten voet die stond langs de weg Menen-Ieper op het hoogste punt van Geluveld. Van 1737 tot 1966 was de molen eigendom van de adellijke familie Keingiaert de Gheluvelt.

In 1791 was Albert Charles Devos de molenaar op Geluveldmolen. Hij was eveneens schepen. Hij had als zonen Lucas, Eugeen, Charles, Pieter en Joseph, alle molenaar van beroep. Zo bleef de molen uitgebaat door een Devos tot 1830. Oude documenten spreken met betrekking tot Maria van de Kelder, weduwe van Lucas Devos, als zijnde molenarisse, winkelierigge en bakkerinne. Vanaf 1830 is Eugeen Vuylsteke de ‘molder’ op de banmolen, opgevolgd door François Vanheule in 1834. Vanaf 1856 is Charles Igodt de molenaar, na 1860 Jan D’Hooghe en nog later Joannes Vanderstraeten van Zandvoorde. Bij de vlucht in 1914 was Charles-Louis Verhellen, geboren te Ooike in Oost-Vlaanderen, de molenaar. De molen van de familie Keingiaert de Gheluvelt werd neergeschoten door de Duitse Richtkanonnier Dinkel van de 9e Batterij van 54e Würtembergs Artillerie Regiment op 27 oktober 1914. Hij trof raak van op de wijk De Oude Hond.

GeluveldmolenGeluveldmolen is één der weinigen die na de oorlog werd heropgebouwd. In 1925 kocht toenmalige kasteelvrouw Léonie Keingiaert de Gheluvelt de korenwindmolen van de familie Vandoolaeghe te Watou. Ze liet hem afbreken en terug opzetten door molenmaker Karel-Lodewijk Cappon uit Wervik op dezelfde plaats waar de vorige molen gedurende eeuwen had gedraaid. Er werd wel een kunstmatige heuvel opgeworpen om een betere windvang te garanderen. Het was een prachtige statige staakmolen, ongeveer een eeuw oud, op uitzonderlijk hoge teerlingen, eveneens voor de windvang, en met hangende gaanderij. Hij draaide voor het eerst opnieuw op 29 oktober 1926. De eerste naoorlogse molenaar was Jules Devos, tevens de waard van de herberg “Het Brouwershof” bij de molen.

De molen heeft maar vier jaar meer gemalen omdat hij maar één koppel stenen had en geen bulterij. De kasteelvrouw wilde geen verbeteringen laten aanbrengen en de molenaar-huurder heeft er dan maar de brui aan gegeven want hij kon er zijn brood niet verdienen. Vanaf dan werd de aftakeling ingezet. In 1959 werd de trap en de kap van de molen enigszins hersteld door molenmaker Lejeune. In 1982 werden de pestelroeden afgehaald. In 1992 werd de totaal verkommerde molen wegens instortingsgevaar gedemonteerd en ter plaatse ingepakt in een houten bekisting. Daarmee wordt de verdere aftakeling toch enigszins afgeremd.

Bij het overlijden van Léonie Keingiaert de Gheluvelt in 1966 gingen al haar eigendommen, waaronder de molen, bij wilsbeschikking naar “De Vereniging van de Adel van het Belgisch Rijk”. Baron Henri d’Udekem d’Acoz uit Proven werd belast met het toezicht. In 1971 werd de molen verkocht aan de provincie West-Vlaanderen, die hem in 1997 doorverkocht aan de gemeente Zonnebeke. Hij werd in 1999 eigendom van ingenieur-architect Walter Snauwaert uit Oostende. In 2005 kon de gemeente hem terugkopen De molen is beschermd bij Koninklijk Besluit van 13 juni 1973.

Zal men er ooit nog in slagen de molen maalvaardig te maken op dezelfde plaats of op een andere locatie te Geluveld? Wij durven het stilletjes hopen.