De Grote Vierschaar te Beselare

In veel oude geschriften over Beselare lezen we de benaming “De Groote Vierscaer” en ook tijdens de prachtige tweejaarlijkse Heksenstoet worden we er om de haverklap mee geconfronteerd. Maar wat betekent nu juist die uitdrukking?

De ‘vierschaar’ of de ‘wet’ betekende in vroegere tijden het bestuur van de ‘prochie’. De naam gemeente is een nieuw begrip dat pas in voege kwam met de Franse Periode (1794-1815). De ‘vierschaar’ of ‘wet’ gelaste zich met het plaatselijke bestuur en de rechtspraak. Voor wat het algemene bestuur betrof hing de vierschaar af van de Zaal of Kasselrij van Ieper.

In het ‘Ancien Regime’ bestond de ‘wet’ of de ‘vierschaar’ uit de baljuw, de schepenen en de amman. De baljuw was de rechtstreekse vertegenwoordiger of plaatsvervanger van de Heer van de heerlijkheid. Hij had het oppergezag in handen en stond aan het hoofd van de ‘wet’. Hij zat de vergaderingen van de schepenbank voor en had ook de bevoegdheid van politieofficier. De baljuw was niet verplicht ter plaatse te wonen. Integendeel, het was zelfs gebruikelijk dat hij in een andere ‘prochie’ woonde om belangenvermenging te voorkomen. Hij kon ook in andere heerlijkheden dezelfde taak tezelfdertijd uitoefenen zoals baljuw Hubrecht Verenne deed te Beselare, Geluwe en Zonnebeke rond 1730-1740.

De ‘vierschaar’ telde vijf of zeven schepenen (een halve of volle schepenbank genoemd). In geval er slechts vijf schepenen waren (halve schepenbank) dan kwamen twee schepenen van de Kasselrij mee deel uitmaken van de schepenbank. Op voordracht van de baljuw werd de schepenbank om de drie jaar geheel of gedeeltelijk vernieuwd door de Heer. De schepenen werden geselecteerd onder de bekwaamste en verstandigste inwoners van de heerlijkheid. Ze moesten bovendien meerderjarig zijn (+ 25 jaar), ter plaatse wettig geboren zijn en bij voorkeur gegoed. Elke schepen moest de hem opgedragen taak aanvaarden en op de zittingen van de schepenbank aanwezig zijn of hij werd zwaar beboet. De oudste schepen in jaren droeg de titel van burgemeester. Een vastbenoemde griffier boekte de verslagen (voogdij, metingen, faillissementen, belastingen, inbeslagnames, zegels leggen, geschillen, straatschouwingen, wezerij, akten van verkoping of verpachting, legaten, strafzaken…) en hij beheerde de rekeningen. De amman was een vastbenoemde politiedienaar, een soort veldwachter, die zijn opdrachten kreeg van de baljuw.

Tot omstreeks 1500 kwam de ‘vierschaar’ bijeen in open lucht, in de omgeving van de woning, hoeve of kasteel van de dorpsheer, onder een boom met een grote dichte kroon die daarom ook “scauwboom” heette of onder een afdak. Vanaf 1500 ongeveer worden de wetsvergaderingen en rechtszittingen gehouden in het “wet- of schepenhuis”, de voorloper van het gemeentehuis.

De heerlijkheid ’t Hof van Beselare had vol justitievermogen. Dit betekende dat de ‘vierschaar’, als plaatselijk tribunaal mocht optreden en boeten, lijfstraffen en zelfs de doodstraf mocht uitspreken. De toehoorders en getuigen stonden dan in een vierkant geschaard, op drie passen afstand van de grote vierkante wetstafel en de vier banken (scarnen) er achter. Vandaar de naam “vierschaar”. Bij die processen moesten de getuigen ten voordele van de beklaagden de oost- en zuidkant innemen, deze ten nadele stonden aan de west- en noordkant.

Voor lijfstraffen was er een schandpaal. Naarmate hun straf werden de gestraften enkele of meerdere uren publiekelijk ‘ten toon gesteld’. Ze konden er beschimpt of met allerlei rotzooi bekogeld worden. De schandpaal stond langs de kasteeldreef op “De Pin”, een “spiesgewijsde striepe land”, tevens het hoogst gelegen punt van Beselare. Voor ter dood veroordeelden was er de galg op het ‘galgstuk’. Zoals wettelijk bepaald stond de galg opgesteld op de grens van de heerlijkheid, zo ver mogelijk van het centrum. De galg moest zo worden opgesteld dat nooit een schaduw van een gehangene of de galg zelf kon vallen op de grond van de aanpalende heerlijkheid. Voor Beselare lag het ‘galgstuk’ op de Keiberg, de grens met Moorslede en Passendale. De boeten en het verbeurd verklaarde goed van misdadigers, in de vierschaar uitgesproken, kwamen de Heer toe.

De markgraven Van der Woestine waren niet alleen leenheer van ’t Hof van Beselare of De Groote Vierscaere, maar ook van ‘t Oosthof, een kleinere heerlijkheid met als foncier (bestuurlijk centrum, woonplaats van de Heer) de versterkte hoeve met name het Osthof (huidige B & B “Fields of Gold” van Nathalie Vandenbussche). Ook deze heerlijkheid had bestuurlijke en rechterlijke macht en bezat dus eveneens een vierschaar, maar gezien deze heerlijkheid aanzienlijk kleiner was (acht bunderen) dan ’t Hof van Beselare (32 bunderen) sprak men hier soms van “De Kleene Vierscaer”, maar nog meer van de “Oostvierscaer”. Rond 1765-1770 werd de voorname baljuwsfamilie Duval de leenheer van de kleinere heerlijkheid de Oostvierscaere. Niklaas Duval had zich in die jaren grondig verrijkt door aankoop van de heerlijke rechten op de Oostvierscaere van de verspilzuchtige heer van ’t Hof van Beselare, François III Van der Woestine.

Wanneer ‘De Groote Vierscaere’ ontstond is vandaag niet met zekerheid gekend. De allereerste vermelding, “schepenen der groote vierscaere” dateert van 1087. De heren van Beselare waren toen de Burchtheren van Ieper, in casu Theobald. In 1289 wordt de heerlijkheid eigendom van het adellijke geslacht Hauweel. Zij bouwden er het eerste kasteel. In 1418 verkoopt Rogier Hauweel, die naar Tielt gaat wonen, de heerlijkheid aan Rogier Van der Woestine, stamvader van de invloedrijke adellijke familie die in grote mate, gedurende bijna vier eeuwen, als dorpsheren, ridders en markgraven het reilen en zeilen in Beselare zal bepalen.