De geschiedenis van het doodssantje

De voorloper van het bidprentje was het devotieprentje. Het vindt zijn oorsprong in de 13e eeuw. Het eigenlijke bidprentje is ontstaan in de Noordelijke Nederlanden waarschijnlijk tussen 1600 en 1650.

De eerste bidprentjes waren met de hand geschreven uitsluitend ter nagedachtenis van geestelijken. Vanaf 1730 vinden we gedrukte prentjes die slechts voor ‘welstellende’ gelovigen bestemd zijn. Amsterdam is veruit het voornaamste centrum. Niettegenstaande in Vlaanderen het bidprentje toen zo goed als onbestaande is, is Antwerpen door de kopergraveerkunst het mekka van de drukkunst van die prentjes. In het Vlaamse land dateren de eerste prentjes van rond 1800. We moeten wachten tot 1830 om de doorbraak hier te kennen. De betere standen maken twee soorten bidprentjes: dure en mooie exemplaren met Franse tekst voor hun standgenoten en goedkope banale met Nederlandse tekst voor de gewone man.

Tegen het einde van de 19e eeuw zijn de bidprentjes in alle lagen van de bevolking doorgedrongen waardoor de Franstalige exemplaren proportioneel verminderen. Enkele jaren na Vlaanderen leert ook Wallonië het doodssantje kennen. Het zal echter nooit zo populair worden als bij ons. In Frankrijk krijgt het nooit vaste voet. Parijs had nochtans in de tweede helft van de 19e eeuw de drukkersrol van Antwerpen overgenomen.

Er zijn verschillende soorten bidprentjes. We kunnen ze indelen in vijf soorten:

  • De knekelprentjes: dit waren wansmakelijke afbeeldingen van doodshoofden, geraamten, enz... (kwamen vooral voor in de beginperiode)
  • De kerkhofprentjes: hier stonden kerkhofzichten met beelden (kruisbeeld), met symbolen (anker, doodshoofd, zandloper, zeis, treurwilg, ondergaande zon, urne, slang, pelgrimsstaf, duif, bloemen, open boek, enz...), met allegorieën (een geblinddoekte vrouw, een vrouw of knaap al dan niet gevleugeld met een uitgedoofde of uitdovende fakkel, een geraamte met zeis, enz...), met niet-allegorische figuren (Christus, Maria, Jozef, engelen, zielen, enz...), met een open graf (een gapende kuil) of grafmonumenten met de naam centraal (hier staat de naam van de overledene op het grafmonument te lezen).
  • Aflaatprentjes: prentjes met aflaten verrijkt gebed (“Bid voor de ziel van zaliger …”).
  • Ars-Moriendi-prentjes: dit zijn prentjes waarop dezelfde onderwerpen afgebeeld staan als in de 15e eeuwse blokboeken met dezelfde naam (ziekte, doodstrijd, laatste oordeel, vagevuur, hemel en hel, verrijzenis).
  • Portretprentjes: bidprentjes met een foto van de overledene (reeds halfweg de 19e eeuw waren er dergelijke bidprentjes).

Tot slot is er ook een evolutie waar te nemen in de tekst. De eerste bidprentjes vermelden alleen de naam van de afgestorvene en waar en wanneer hij overleden is. Slechts vanaf 1820 worden meer personalia vermeld en af ten toe treft men reeds een bijbelcitaat of een ander (aflaat-)gebedje aan. Wezenlijk is het bidprentje eerst en vooral een oproep tot gebed. Deze oorspronkelijke functie is vervaagd en geëvolueerd naar een bezinning over het leven van de overledene.