De geuzen in Zonnebeke

Op 31 oktober 1517 spijkerde de augustijnenmonnik Maarten Luther zijn 95 stellingen aan de deur van de slotkerk te Wittenberg (Duitsland). De leer van Luther beschouwde de Bijbel als de enige bron van geloof. Hij verzette zich tegen heiligenverering, aflaten en klooster- en celibaatgeloften en botste hierdoor met de visie van de rooms-katholieke kerk. Het was het begin van de reformatie. Kort daarop zagen nog andere hervormingsbewegingen het levenslicht zoals het anabaptisme (doopsgezinden) en het calvinisme. Die hervormingsideeën drongen al vroeg (eerste helft 16e eeuw) door in onze Westhoek. Onze gewesten werden toen bestuurd door keizer Karel V.

De overheid hier verzette zich tegen het opkomende protestantisme en vaardigde allerlei, steeds scherper geformuleerde plakkaten (wetgeving) uit die alle aanleuning bij (en zelfs sympathie voor) het protestantisme verbood en bestrafte. De inmiddels ingestelde inquisitie spoorde de ketters op en bracht hen voor de rechtbanken. Menig ketter belandde op de brandstapel. In de Westhoek was het vooral het calvinisme dat een sterke verspreiding kende en de meest gekende inquisiteur was Pieter Titelmans, de deken van Ronse. Ondanks alle repressie groeide de protestantse aanhang. De protestanten werden spottend ‘geuzen’ (armoezaaiers) genoemd.

Op 15 augustus 1566 brak de fameuze Beeldenstorm los. Honderden geuzen zwermden uit over onze streek en brachten vernielingen aan in kerken en kloosters. Vooral de heiligenbeelden moesten het ontgelden, vandaar de naam Beeldenstorm. Ook onze gemeente kreeg het zwaar te verduren. Zo trok op die 15de augustus 1566 een bende geuzen onder leiding van Joos Hooft en Andries Bouchout naar de abdij van de Nonnebossen te Zonnebeke. De geuzen drongen binnen in de abdij, schoten het slot van de poort van de kloosterkapel stuk, vernielden de kapel en mishandelden de mindervalide abdis Louise de l’Espinoy die alleen in de abdij was achter gebleven. De andere kloosterzusters waren naar Ieper gevlucht. In de namiddag trok de vernielzuchtige bende verder naar Beselare en Geluwe. Een tweede groep geuzen ging naar het centrum van Zonnebeke en richtte vernielingen aan in de kerk van de augustijnenabdij. Deze kerk was tevens parochiekerk. Vervolgens trokken ze naar Moorslede en bestormden er de parochiekerk en het klooster Ten Bunderen. Een derde groep geuzen richtte zich op Zillebeke en Zandvoorde. In Zandvoorde werd de kerk bestormd en beschadigd onder leiding van Zandvoordenaar Aernout Me(e)rsseman.

Na de Beeldenstorm zette de inquisitie haar taak verder. Aernout Me(e)rsseman uit Zandvoorde zweerde de nieuwe leer af en kwam er van af met een geseling aan de schandpaal en met een openbare boetedoening in de kerk van Zandvoorde. Met de komst van de Spaanse hertog van Alva (1567-1573) volgde een ongemeen zware repressie. Velen sloegen op de vlucht. Een aantal geuzen ging echter over tot een ware guerrillaoorlog. Daar zij nogal vaak in de vele bossen samenkwamen kregen ze de bijnaam ‘bosgeuzen’. Op 10 oktober 1571 pleegden tientallen bosgeuzen een nieuwe overval op de abdij van de Nonnebossen. Met breekijzers en een stormram maakten ze een bres in de westelijke omheiningmuur. Men ging over tot het plunderen en vernielen van de abdij. Abdis Louise de l’Espinoy werd opnieuw mishandeld en raakte gewond. Zij die buiten de wacht hielden, zagen plots een knecht van een nabij gelegen hoeve richting Ieper lopen. Zij vermoedden dat deze wellicht de overheid te Ieper zou inlichten van de feiten en dat de overheid de ruiters van het garnizoen uit Ieper naar de abdij zou sturen om af te rekenen met de bosgeuzen. Deze namen daarop de vlucht met een grote buit aan kleren, lakens, lijnwaad, geld, juwelen, zilverwerk, .… De achttien kloosterzusters namen de vlucht naar hun refuge te Ieper en kwamen nooit meer terug.

Op 4 oktober 1572 overvielen zo’n 30 gewapende bosgeuzen op een pachtgoed langs de weg Ieper-Voormezele drie priesters: Ambrosius de Coster, pastoor van Zonnebeke, Godfried van Rijspoort en Paulus Plancke, twee kerkbedienaars uit Ieper. De dochter van het pachtgoed werkte bij een ‘ketters’ gezin te Ieper en had de drie priesters aangeklaagd. In het midden van de aardeweg naar Voormezele delfden ze drie putten. Ze stopten de drie priesters tot aan de hals in de putten en bekogelden hun hoofden met stenen en andere voorwerpen tot hun schedels verbrijzeld waren.

Op 22 maart 1575 overvielen soldaten in een herberg te Beselare een groep bosgeuzen. Vijf geuzen wisten echter te ontsnappen. De soldaten konden alleen Antoon Lancheel uit Komen gevangen nemen en naar Ieper overbrengen. Daar werd hij gefolterd en hij bekende dat hij uit Sandwich (Engeland) was overgekomen, dat hij aan meerdere overvallen en moorden op geestelijken had deelgenomen en dat de protestanten zinnens waren om de haven van Nieuwpoort in te nemen.

Op 4 november 1576 vond de Spaanse Furie plaats. Muitende Spaanse soldaten trokken plunderend door Antwerpen. Hierdoor ontstond een sterke anti-Spaanse stemming in de Nederlanden. Dit leidde op 8 november tot de Pacificatie van Gent waarbij onder meer werd overeengekomen dat de Spaanse troepen de Nederlanden dienden te verlaten en dat er een amnestie voor de opstandelingen moest komen. De uitoefening van het calvinisme kreeg een voorzichtige, nieuwe kans. Hardliners onder de calvinisten wilden echter verder gaan en slaagden er in om op 28 oktober 1577 in Gent een Calvinistische Republiek uit te roepen. Onder meer bisschop Rythovius van Ieper (die toen in Gent een vergadering van de Staten van Vlaanderen bijwoonde) werd gevangen genomen en opgesloten. Er volgde een snelle heropleving van het calvinisme in Vlaanderen. De Calvinistische Republiek Gent breidde zijn invloed uit, voerde een heel radicale, onverdraagzame, antikatholieke koers en bezette op 20 juli 1578 Ieper. De rest van de streek werd vanuit Ieper in de Gentse Republiek geïntegreerd. Ieper zou onder deze Calvinistische Republiek blijven van 20 juli tot 7 april 1584.

Er volgde echter verzet van de Malcontenten, een anticalvinistische verzetsgroep die hoofdzakelijk succes kende in het Franstalige gedeelte van de toenmalige Nederlanden (Artesië, Henegouwen, ...). De Malcontenten werden door de calvinisten ook wel de paternosterknechten genoemd omwille van hun trouw aan de katholieke kerk. De Malcontenten voerden strijd onder de leiding van Emmanuel de Lalaing, heer van Montigny. Ze veroverden op 1 oktober 1578 Menen en beletten zo dat de Gentse calvinisten Rijsel, Artesië en Henegouwen zouden inpalmen. De heer van Montigny nam ook Waasten in en stuitte door tot het kasteel van Beselare. De terreur van de protestanten bleef echter aanhouden. Zij staken op 22 december 1579 de kerken van Boezinge, Vlamertinge, Zonnebeke en deze van de abdij van de Nonnebossen, alsook boerderijen en het kasteel ‘Bellewaerde’ in brand. Weer sloegen mensen op de vlucht.

Intussen had de Spaanse koning Filips II Alessandro Farnese, hertog van Parma en zoon van de voormalige landvoogdes Margareta van Parma, aangesteld als landvoogd van de Nederlanden (1578-1592). Farnese begon met de herovering van de Nederlanden. De ene stad na de andere in de Westhoek viel in zijn handen. De protestanten kregen de kans om zich te bekeren tot het katholicisme of te vertrekken. Zijn veroveringstocht eindigde met de val van Antwerpen in 1585. De zuidelijke Nederlanden kwamen zodoende weer in Spaanse handen. De noordelijke Nederlanden scheidden zich uiteindelijk voorgoed af en gingen een eigen koers varen.

Hiermee kwam echter nog geen einde aan de terreur in de Westhoek. Vanuit Oostende bleven bendes het land onveilig maken. Zo werd op 29 september 1598 in de Oude Kortrijkstraat nabij de verwoeste Nonnebossenabdij Reginald Schoonaert, kapelaan te Beselare, vermoord. De man reed met zijn familie met paard en koets van Beselare naar Ieper. Pas met de val van Oostende in 1604 kwam een definitief einde aan alle terreur.

Godsdienstfanatisme, criminele daden van losgeslagen geuzenbendes, de katholieke inquisitie, de repressie en de herovering van onze streken door de Spanjaarden lieten de Westhoek verweesd achter. Het resultaat was hallucinant: verlaten dorpen (op sommige plaatsen was zo goed als iedereen weggevlucht), onbewerkte landbouwgronden, meters hoge distels en onkruid, ellende alom. Er werd zelfs melding gemaakt van wolven in de streek.

De vlucht wordt vaak ingedeeld in drie grote periodes: 1543-1563, 1567-1573 en 1580-1590. In de eerste fase vluchtte men vaak als gevolg van het scherper stellen van de plakkaten en het strenger optreden van de inquisitie. Tijdens de tweede periode speelde zeker de repressie onder de hertog van Alva mee en bij de derde was de grote uittocht een gevolg van de veroveringen van Farnese. Wie vluchtte deed dit niet alleen uit vrees om vervolgd te worden voor zijn geloofsovertuiging, ook economische factoren (zoals de crisis in de textielnijverheid, mislukte oogsten, …) speelden een rol. Vanuit de Westhoek vluchtte men in de eerste twee periodes veelal naar Engeland en soms ook naar Duitsland. Bij de derde uittocht ging het overwegend richting Nederland.

Voor wie vanuit de Westhoek naar Engeland wou vluchten, bestonden er georganiseerde ontsnappingsroutes. Daarbij kon men rekenen op de hulp van een aantal schippers en herbergiers. Veelal werd vanuit Nieuwpoort, Duinkerke en Grevelingen (Gravelines) de zee overgestoken. De herbergen “Sinte-Godelieve” en “De Wilde Zee” te Nieuwpoort en herbergen “Becelaere” en “De Wilde Zee” te Duinkerke vervulden een voorname rol in deze ontsnappingsroutes. Zo meldde zich op 29 november 1560 rond de middag een groep vluchtelingen uit Mesen en omgeving aan in herberg “Becelaere” te Duinkerke om er te slapen in afwachting van hun overtocht naar Engeland. In Engeland trokken de meeste vluchtelingen naar Londen, Sandwich, Norwich en Colchester.

Het gevolg van al dat vluchten was dat de streek leegliep, dat de economie nog meer achteruit ging en dat men zodoende in een steeds sterker wordende neerwaartse spiraal terecht kwam. Uiteindelijk diende de streek opnieuw bevolkt te worden. Zo bepaalde de kasselrijmagistratuur van Ieper op 21 juni 1590 dat zij die in Staden, Westrozebeke en Passendale wilden komen wonen, gedurende drie jaar vrijgesteld zouden worden van alle lasten die normaal door de kasselrij werden geheven. Op 9 juli 1593 beloofde men belastingvrijstelling aan hen die onbebouwde gronden “vander cauchie van Waesten ende vaert oostwaerts trekkende” zouden beboeren. Ook de jaren daarop probeerde men met belastingvrijstellingen mensen aan te trekken om in de streek te komen wonen en om gronden opnieuw in gebruik te nemen.

Studies wijzen uit dat er in de Westhoek familienamen zijn die vóór 1585 wel en na 1600 niet meer voorkomen en dat er na 1600 heel wat nieuwe namen opduiken die hier vroeger niet te vinden waren. Heel wat ‘nieuwkomers’ die omstreeks 1600 in de Westhoek kwamen wonen zouden van Artesië of Picardië afkomstig zijn. Uit die tijd dateren heel wat Fransklinkende familienamen die tot op vandaag in de Westhoek zijn aan te treffen.


Bronnen:

Blondeau R., Geuzen in de Westhoek. Het epicentrum van de beeldenstorm. Uitgeverij Reinaert – Het Volk NV, Gent, 1988, 270 p.

Pil V., Zonnebeke. Heerlijk verleden en zonnig heden. Langemark, 1962, 365 p.

P.S.: Dit is een bijdrage van Mario Dujardin, redactielid van “Het Zonneheem”.