De heksen van Zonnebeke

De deelgemeente Beselare gaat terecht prat op een indrukwekkende collectie smeuïge heksen en dito verhalen, in die mate zelfs dat zij er een prachtige, tot ver buiten de provincie bekende, heksenstoet aan over heeft gehouden. Al meer dan vijftig jaar staat eind juli (nu nog slechts tweejaarlijks) het dorp op zijn kop en zijn de heksen Sefa Bubbels, Mele Crotte, Fyte Kwik, Calle Bletters, Belle Fakke, Clette ’t Aendegat, Dokke van d’Heulebeke, Tanneke Vanhulle, en Babbe van d’Eyerpanders de vedetten en de blikvangers in het straatbeeld te Beselare.

Deze mooie volkse traditie is het gevolg van een meer intensieve overlevering in vroegere tijden in deze deelgemeente dan in de andere Zonnebeekse dorpen. Beselare leefde tot ver in de negentiende eeuw veel meer ‘besloten’ dan de andere deelgemeenten. De dorpskern lag behoorlijk afgescheiden van de grote verkeerswegen zoals de weg van Kortrijk naar Ieper (via Ter Hand, de Hollebos, De Reutel en Bellewaarde) of de weg van Menen naar Ieper. Dit maakte dat de Beselarenaren meer op zichzelf aangewezen waren en alle gebeurtenissen en/of verhalen, al of niet aangedikt met een portie fantasie, in eigen kring hielden maar ze wel aan de nazaten doorvertelden.

Toch waren er vroeger ook heksen (zelfs tovenaars) te Zonnebeke, Passendale, Geluveld en wie weet ook te Zandvoorde. Alleen vandaag (in tegenstelling tot Beselare) heeft niemand er nog weet van. Voor Zonnebeke zijn er nog heel vaag enkele sporen. De hoogste tijd om die op een rijtje te zetten.

  • Kotten Malengier van de Westhoek was een onvervaarde briekenbakker. Na de dagtaak kwam hij naar huis maar hij dronk zo graag pintjes zodat hij telkens pas ver in de nacht van de vele wijkcafé’s te voet naar huis strompelde. Op een nacht kwam hij onderweg naar huis een reus van een vent tegen, gekleed in een kapmantel. Kotten zei: “Goenavond”, maar de reus antwoordde niet, hij bleef staan en keek Kotten sterlinge in de ogen. Kotten zijn haar rees op zijn vel en hij voelde zich verstijven van angst. Zijn benen waren als verlamd en wogen als lood. Al bevend en struikelend is hij thuis geraakt. ’s Anderendaags lag hij doodziek in bed met geelzucht. “Van ’t verschot”, zeiden de mensen.
    Zou die reus Pee Boln geweest zijn? Die kon wilde honden temmen door ze bij hun staart te grijpen en over zijn rechterschouder te slingeren. Hij kon ook doden doen weerkeren, liefst ’s nachts. Zo heeft hij zijn eigen vrouw doen weerkeren uit haar graf. Hij beweerde dat zij een beurze geld had weggeborgen in de koeienstal. Z’is weergekeerd, de koeienketels begonnen te rammelen, de beesten sprongen en dansten in hun sliet. “Waar is mijn geld”, tierde Pee. “Hier”, riep er een stem vanuit de hooizolder en voor dat Pee wist wat er gebeurde, viel er voor zijn voeten een zak vol met... paddejongen!
  • Een boever (paardengeleider) sliep ’s nachts bij zijn paarden in de stal. Opeens schrok hij wakker door gejank dicht bij zijn oren. Hij sprong recht en zag een kat met glariënde groene ogen aan het voeteinde van zijn strozak. Hij greep een stok om ze weg te jagen maar ze was nergens meer te zien. Op dat ogenblik en nog voor de knecht zijn broek kon aantrekken, begonnen de paarden te briesen en langs alle kanten met hun poten te slaan in de stal. Hetzelfde gebeurde de twee volgende nachten. Er was hier duidelijk hekserij in het spel. De boever is dan naar de paters te Ieper getrokken om zijn paarden te laten belezen, negen dagen aan een stuk. Toen was de betovering verbroken.
  • Een zwingelaar van de Molenaarelst kwam op een avond laat van zijn werk in Langemark te voet naar huis. Ze hadden doorgewerkt om het zwingelkot opgekuist te krijgen. Het was ‘hellesteke’ donker en het waaide zo fel dat hij zich moest schoren tegen de wind om recht te blijven. Plots zag hij naderend van thuis in de verte een licht. Hij vond het eigenaardig dat op dat uur van de nacht nog een brandende lantaarn aan een huis of boom hing. Hij kwam dichterbij en zag een brandende kaars, zonder lantaarn of andere bescherming, aan de deur van een huis. ‘Een doodskaars’, was zijn eerste gedacht. Hij kreeg het benauwd en nog meer toen hij merkte dat de kaarsvlam klaarte gaf als een carburelamp en bovendien het waaide zo hard en de vlam bewoog niet eens. Hoe dichter hij kwam, hoe kleiner de vlam werd. Toen hij op twee passen van de deur kwam, was de kaars plots weg. Zonder nog om te kijken holde hij zo hard hij kon naar huis. Geheel in schuim en zweet vertelde hij de spookhistorie aan zijn vrouw. Die wist te vertellen dat in dat huis een oude vrouw woonde die gekend was als toveres. Men had haar eens zien lezen in een oud perkamenten toverboek. Overdag kwam ze nooit buiten, alleen ’s nachts… gelijk de vleermuizen.
  • Bij Broodseinde, in een aardeweg die de Groenstraat met de Fonteineweg verbindt, woonde veel vroeger in een klein vuil stulpje een heks, “Miete van het Zwarte Gat”, genoemd. Ze was een lelijk, tandeloos en gebocheld oud wijveke en was steeds omringd door een stel zwarte katten. Iedereen schuwde haar want ze kon toveren, zo werd gezegd. Voor haar deur, langs de aardeweg, stond achter een haag een pruimenboom die elk jaar weelderig vruchten droeg. Voorbij komende kinderen op weg naar of van school konden het niet laten er dagelijks een portie pruimen te stelen. Ze stond op de loer, strompelde naar buiten met een knuppel maar telkens was ze te laat en dan ging ze zo hevig krijsend tekeer tegen de vluchtende belhamels.

In een bewaard gebleven brief van E. H. Valeer Pil (de auteur van “Zonnebeke. Heerlijk verleden en zonnig heden”) van 1965 aan Jozef Maes van Beselare, feliciteerde hij die met zijn nieuw boek: “Het Markiezaat van Beselare”. Hierin had hij een speciaal compliment voor het addendum in het boek over de diverse heksenverhalen van Beselare. Hij betreurde het dat te Zonnebeke, waar voorheen ook heksen en tovenaars leefden, niemand de hekserijverhalen had opgetekend. Als kind had hij er nog gehoord maar de ouderdom had ze ook bij hem uitgewist. Hij herinnerde zich alleen nog enkele namen zoals: Saten Kloppers, die met de duivel omging en waarover zijn weduwe Roze zo’n gruwelijke verhalen kon vertellen, Siete Waignein en Charlotje Bussche.

Met deze schaarse sprokkels moeten wij het stellen. Gefeliciteerd, Beselare!