De marteldood van Kapelaan Reginald Schoonaert uit Beselare

Tussen 1560 en 1604 werd West-Europa gekweld door de godsdienstoorlog, Bosgeuzen, Calvinisten en beeldenstormerei. Geen enkele priester of kloosterzuster was nog veilig. Aanslagen, wreedheden, plunderingen, mishandelingen en moorden waren schering en inslag. Ook onze gemeente ontsnapte niet aan de onrust en deze woelige periode betekende zelfs het definitieve einde van de abdij van de Nonnenbossen toen zij op 22 december 1579 in de as werd gelegd door de Calvinisten.

Door grote schaarste aan priesters zat de parochie Beselare geruime tijd zonder pastoor. De bisschop van Ieper zond intussen een kapelaan naar Beselare om de kerkdiensten te verzekeren; het was E.H. Reginald Schoonaert.

Op St-Michielsdag, 29 september 1598, reisde deze kapelaan samen met zijn broer en zuster Martinus en Scholastica Schoonaert per koets van Beselare naar Ieper. Die dag zou Martinus te Ieper huwen met Rosina van Cruysberghe. De koets werd getrokken door twee paarden, gemend door koetsier Jan Boonens. Toen zij ter hoogte van de verwoeste abdij van de Nonnenbossen aangekomen waren, sprong plots een bende Hollandse bosgeuzen, uit het garnizoen van Oostende, uit het bos op de weg. Zij hielden het gespan tegen en schoten onmiddellijk de koetsier en de twee paarden dood. Zij sleurden de reizigers uit de koets, bedreigden hen met hun pistolen en degens al schreeuwend: “ Uw geld of uw leven”. Zij bonden de kapelaan aan een boom en bespotten en mishandelden hem uit haat tegen de Roomse religie. Zij geboden hem zijn geloof af te zweren, hetgeen hij weigerde. Na een pak stokslagen en andere martelingen schoten ze hem dood. Dan beroofden ze Martinus Schoonaert van zijn geld. Hij had 400 patacons op zak (de bruidschat), zijnde de opbrengst van de verkoop van een landgoed te Beselare. Ook zijn kostbare fluwelen mantel moest hij afgeven. Daarna joegen ze hem weg en dwongen zijn zuster Scholastica met hen mee te gaan richting Beselare. Aan een verlaten pachthoeve gekomen, beroofden zij haar van haar juwelen en sloten haar op op de ‘voute’ van de hoeve, gebonden aan handen en voeten. De bosgeuzen hielden in de keuken een braspartij, kookten, aten en dronken wat zij onderweg en ter plaatse hadden gestolen.

Ondertussen was Martinus Schoonaert te Ieper aangekomen en deed zijn verhaal aan de Spaanse Gouverneur. Deze zond onmiddellijk een commando Spaanse ruiters op zoek naar de bandieten. Zij vonden ze ook en er ontstond een gevecht in regel. Toen de bosgeuzen reeds een viertal gesneuvelden telden, namen de anderen de vlucht. De Spanjaarden doorzochten de hoeve en vonden en bevrijdden Scholastica. Zij brachten haar terug naar haar woonplaats te Ieper.

Op de plaats waar kapelaan Reginald Schoonaert en koetsier Jan Boonens werden vermoord, stond in 1914 nog een arduinen zerksteen waarvan het opschrift aan de wandaad herinnerde. Na de oorlog werd er geen spoor meer van teruggevonden, maar het gebied lag dan ook vaak op de frontlijn.