Een brief uit Cadiz

Na de Slag van Flerus op 26 juni 1794 werd Vlaanderen bij de Franse Republiek ingelijfd op 1 oktober 1795. Dit bracht in onze streken een totale omwenteling te weeg. De hervormingen van de Franse Revolutie van enkele jaren voordien werden ook hier met harde hand ingevoerd en het betekende het einde van het Ancien Regime (heerlijkheden, kasteelheren, kasselrijen, feodaal recht, macht van de Kerk…). De zware belastingen, de nieuwe bestuursregeling, nieuwe wetten, de republikeinse kalender, de Franse taal, kerkvervolging en de conscriptie (inschrijving voor dienstplicht door loting) leidden tot opstand zoals de Boerenkrijg in 1798. Het schrikbewind kreeg een iets mildere wending met het aantreden van Napoleon in 1799 en zijn Concordaat met de paus in 1801. Pas nadat hij door paus Pius VII tot keizer werd gekroond in 1804 viel hij voor goed ten prooi aan hoogheidwaanzin. Hij overweldigde de kerkelijke staten, ontvoerde de paus en zette hem gevangen. Het was het begin van een reeks oorlogen in Europa die maar niet eindigde. Ook jongens van bij ons werden onder de wapens geroepen en naar verre fronten gestuurd om slachtoffer te worden van Napoleons heerszucht.

Één van hen was Vincent Van der Marliere, geboren in 1785 te Zandvoorde, als zoon van Jacobus en Catherine Josephine Bille. De Van der Marlieres waren sinds vele decennia dorpssmid te Zandvoorde en ook Vincent leek aardig op weg om de traditie van de familie verder te zetten. Hij werd bij loting echter verplicht te gaan strijden in de legers van Napoleon in 1806. Hij werd ingezet in veldslagen in Oostenrijk en Italië. In de winter van 1807-1808 besloot Napoleon de bijzonderste vestingen van Noord-Spanje alsook de hoofdstad Madrid te bezetten. Ook in Portugal werd strijd geleverd. Begin mei 1810 kregen de ouders van Vincent een brief van hun zoon vanuit Cadiz. Deze is, samen met twee andere brieven van april 1812, bewaard gebleven en bevatte volgende boodschap:

Cadiz in Spanje 20 april 1810

Welbeminden en geliefden

Ick schrijve Cadiz maar het is eigentlijk ervooren dat wij nu liggen, naer ’t zeggen van d’ officieren gaen wij het opden 1 Mei in brande schieten. Als wij Cadiz kunnen ingaen zal dat al de sesde stad van Spayen zijn dat de fransche winnen, wij zien de schepen vaeren in dhaeve het is hier al rotse dat er is, zij houden aeneen. Dat is nu al twee jaer dat wij in Spayen zijn en we sien er nog altijd geen ende aen, ick vraeg tmij af hoelanghe dat wij nog sullen moeten oorlogen.

Er zijnder rond de vierhondert nieuwe toegecommen maer geeneen van onze streke erbij meest van de kanten van hantwerpen en Mechelen. Ick hebbe toch altijdt voort veel courage en hebbe tot nu geen letsel, maer de wilde en is niet groot.

Uwen lesten brief met de complementen vande pastoor wel ontvanghen, ick zie dat ervele naer Dijsle gaen beevaeren, het is noodigh want geheel europa gaet in oorloghe commen. Wij zijn hier met vele volk en er comen er altijdt maer bij. Men hoort dat het zou kunnen slecht gaen om Cadiz in te gaen, de spaensche zitten goed versterkt agter al die rotsen.

Als ick er met goddelijke gratie goedt van afcomme zal ik rap nieuws laeten, de postwaegens marcheeren goedt, de brieven uyt vlaendren en zijn maer twaelf tot dertien daeghen op weg.

Ick eindig nu met u uyt ganscher herten te groeten, alsoock meneer paster en alle kennessen.

Van uw seer ootmoedige

Vinc v. d. Marliere (handtekening)

De brieven van 8 en 27 april 1812 naar huis zijn respectievelijk geschreven vanuit Pau en Parijs. Deze meldden de definitieve thuiskomst binnenkort. Marcherend dwarste Vincent gans Frankrijk van zuid naar noord. De duur van de tocht werd geschat op zes weken. Zijn volledige diensttijd van zes jaar zat er op. Gelukkig maar want een nieuwe veldtocht naar Rusland kondigde zich aan. De papieren "de sortie" zou hij krijgen in de kazerne van Doornik.

Enkele maanden na zijn thuiskomst, op 13 januari 1813 is Vincent Van der Marliere getrouwd met Amelia Rosalia Gryson, geboren op 2 januari 1792 als brouwersdochter van Pieter (toen reeds overleden) en Marie-Anna Debouck. De Grysons waren sinds 1773 eigenaar van een brouwerij en herberg "Het Wethuys" (later "’t Gemeentehuis") bij de kerk. In 1784 hadden ze ook de kleine brouwerij "De Kroon" en de gelijknamige herberg te Beselare opgekocht.

Vincent en Amelie gingen zich vestigen als smid aan "De Swaene" te Beselare. Zij kregen 13 kinderen maar vier dochters stierven tussen 28 september en 14 november 1841 tengevolge van typhus in het gezin (wat een ongelooflijke klap moet dit geweest zijn). Wij vinden de naam van Vincent regelmatig terug in de kerkrekeningen van Beselare en Zandvoorde, waarin hij genoemd wordt als "meester smet", "slotenmaker" en/of "horlogemaker", voor werken aan het torenkruis, smeedwerk aan de kerkdeur, het maken van een klokzolder, het onderhouden van het torenuurwerk of voor nieuwe sleutels voor het kerkportaal.