Gelegenheidsgedicht voor pastoor Baert (1) te Beselare door Victor Hollevoet (2)

Ziet gij dien boschbewoner niet,
Die zijne kruin in ’t ronde schiet
En zooveel maten vallen liet;
Maar zelf blijft staan
Met eeuwen op zijn kruin belaân?

Ook onze Pastors deken (3) staat
En helpt nog voort door raad en daad,
Ziet wel hoe ’t met de kudde gaat.
God spaar’ hem toch
En geef hem lange jaren nog.

Reeds zev’n en dertig volle jaar,
Spijts moeite, strijd, gevaar
Is onze kloeke herder daar.
Hij is de troost
De zegen van zoo menig kroost.

De vreugd is in zijn hert gedaald
Zijn volk heeft hier gezegepraald,
Den herder met een krans omstraald.
Voor Kerk en land
Het goed houd’ hier de bovenhand.

Hij heeft naar Jesus’ roem getracht
Den luister van Gods huis betracht,
Des armen lijden wel verzacht;
Op zijne baan
Onzeglijk vele goed gedaan.

Laat ons vol fierheid en vol vreugd
Hoog roemen ’s Dekens strenge deugd.
De wijze waker van de jeugd,
Hij leve in vrée
En ieder help’ den Herder mée.

In ons gemoed, in goed gedacht;
Met vollen lust en volle kracht
Den Pastors deken huld’ gebracht;
Door Sint Juliaan
Neem’ God zijn’ beste wenschen aan!

Verschenen op 25 januari 1902 in “’t Nieuwsblad van Yper en Ommelands”, een katholiek Iepers weekblad uitgegeven tussen 1866 en 1912.

Voetnoten

(1) E. H. Juliaan Serafijn Baert werd in 1813 geboren te Rollegem (Kortrijk) als zoon van Petrus Johannes en Victoria Roza Debackere. Hij werd priester gewijd in 1841. Na een apostolaattermijn als onderpastoor te West-Nieuwkerke en Mesen en drie jaar als pastoor te Izenberge werd hij eind 1864 benoemd als pastoor te Beselare ter vervanging van E. H. Hendrik Laumosnier. Hij heeft er puik werk verricht, vooral voor de scholen (schoolstrijd). Eind 1891 werd hij er uitbundig gevierd voor 50 jaar priesterschap. Na een termijn van 38 jaar als pastoor overleed hij op 19 oktober 1902 te Beselare in de ouderdom van 89 jaar. Hij werd begraven aan de voet van de Kalvarieberg aan de noordzijde van de kerktoren.

(2) Victor Amandus Hollevoet werd geboren te Beselare op 30 maart 1856 als jongste telg in het drie zonen tellend landbouwersgezin van Eugeen Leonard (afkomstig van Geluwe) en Marie Catharina Frimout (afkomstig van Zillebeke). Hij huwde op 4 juli 1884 te Beselare met de Beselaarse winkelierster Marie-Thérèse Dewachter (° Beselare 12/08/1854), dochter van Pieter Joseph en Marie Judith Withouck, toen beide al overleden. In het gezin kwamen vier kinderen. Echtgenote Marie-Thérèse overleed te Beselare op 57-jarige leeftijd op 20/11/1911.

Victor kwam uit een christelijk huisgezin, was een uitstekende leerling en hij kon (en mocht) verder studeren voor onderwijzer te Torhout waar hij het onderwijzersdiploma behaalde in juli 1875. In oktober van dat jaar werd hij hulponderwijzer te Wevelgem. In 1878 werd hij hoofdonderwijzer in de gemeenteschool te Hollebeke. Toen echter in 1879 de schoolstrijd uitbrak liet hij, zich bewust van zijn plicht als overtuigde katholiek, zijn vaste benoeming varen om zich onvoorwaardelijk ten dienste te stellen van pastoor E. H. Juliaan Baert in zijn geboortedorp, als hoofdonderwijzer van de pas opgerichte katholieke jongensschool. Toen vanaf 1884 de schoolvrede hersteld werd, werd de katholieke jongensschool door de gemeente aangenomen en in 1896 met de gemeenteschool gefusioneerd. Dat jaar werd Victor nu gemeentelijk schoolhoofd en hij bleef het tot 1909 toen hij noodgedwongen op ziekteverlof moest en zijn functie niet meer kom hernemen.

Hij was een plichtsbewuste en graag geziene onderwijzer die enorm veel lichamelijke en geestelijke arbeid aan de dag heeft gelegd. Hij was een steun voor de priesters op de parochie en een Beselarenaar in hart en nieren. Hij heeft zijn geboortedorp met grote liefde bemind als bestuurslid van menige vereniging.

Tijdens de oorlog vluchtte hij naar Glasgow in Schotland. Hier kwam nog een pak dorpsgenoten terecht. Na de wapenstilstand kwam hij lichamelijk geknakt en verlamd terug en ging in Roeselare wonen dicht bij zijn dochter Godelieve. Hij overleed er op 23 mei 1930. Victor werd vereremerkt met het pauselijke ereteken “Pro ecclesia et pontifice”, de burgerlijke medaille 1e klas, ’t burgerkruis 1e klas en de herinneringsmedaille van Leopold II.

Lang voor de Eerste Wereldoorlog werd Victor correspondent voor het katholieke Ieperse weekblad “’t Nieuwsblad van Yper en Ommelands”. Tijdens de oorlog schreef hij voor “De Belgische Standaard”, het enige Belgische blad dat nog verscheen in het onbezette gebied. Vanaf het begin van de 20e eeuw liet hij het poëtische beest in zich los en hij probeerde de dichtkunst uit. Gelegenheidsgedichten en vele andere zijn zo aan zijn pen ontsproten.

Een andere belangrijke karaktertrek van Victor Hollevoet was zijn hardnekkige Vlaamsgezindheid. Hij was een fan van de Vlaamse Beweging en hekelde voortdurend de Franstalige landverraders en nog veel meer de Vlamingen die zich hiertoe lieten verleiden.

(3) In 1902 was E. H. Juliaan Baert de oudste nog actieve priester in het bisdom Brugge. Hij was dus de “Nestor” of de “Pastors deken” (zoals men die toen noemde) van het bisdom. Uiteraard een gelegenheid om te vieren. 10 maanden later is hij na een uiterst vruchtbaar en langdurig priesterambt te Beselare overleden op 19 oktober. Hij werd opgevolgd door E. H. Lodewijk Claerhout.