Guido Gezelle schrijft een gedicht voor Passendaalse Moeder Overste

In 1835 zijn zeven kloosterzusters zich komen vestigen te Passendale en ze hebben er de meisjesschool gesticht in de Kapellestraat (nu 4e Regiment Karabiniersstraat). De zeven zusters vormden een afzonderlijke en zelfstandige kloostergemeenschap. Ongeveer 30 jaar later begonnen de zusters moeite te ondervinden om nieuwe jonge zusters aan te trekken in hun gemeenschap en door de last van de jaren kregen ze het zelf moeilijk om hun taak voort te zetten. De pastoor van Passendale E. H. Van Gampelaere zocht naar een oplossing en stelde aan de bisschop voor de kloostergemeenschap te laten samensmelten met het grote klooster van de Zusters van Liefde te Heule. Zo geschiedde en zo kwamen in 1865 enkele jonge dynamische zusters uit Heule te Passendale het opvoedingswerk verder zetten. In 1867 nam zuster Theresia ontslag als overste van het klooster en ze werd opgevolgd door een zuster uit het moederklooster, zuster Bernarde. Rond 1890 woonde en onderwees ook zuster Colomba, in de wereld Florence Gezelle… jawel, de zuster van priester-dichter Guido Gezelle, in het klooster en de meisjesschool te Passendale.

In 1892 was er groot feest in het klooster ter gelegenheid van het zilveren jubileum van moeder Bernarde. Guido Gezelle werd via zijn zuster bereid gevonden een gedicht te schrijven voor die gelegenheid. Het klinkt als volgt:

Eerwaarde moeder van dit Passchendaelsch couvent

Ja, gij, door Gods beschik,
dat altijd wonder is
aanveerddet eenen last
vol ruize en kommernis.
’t Is lastig, ja , genoeg,
voor elken onderdaan
standvastig in zijn schoen
en altijd recht te gaan,
al is’t dat God, getrouw
aan zijn beloften, maakt
dat al die rust en steunt
op Hem, daar deur geraakt.
Wat moet het zijn dan voor
die, boven al gesteld,
met zoveel zinnen als
men zusters koppen telt,
een klooster leiden moet,
zoo God en kerke leert,
dat niemand krom en loopt
en van de bane sleert?
’t Is lastig moeder zijn
van kleene kinders, ja ‘t;
maar groote kinders leên
nog ver te boven gaat
het moederlijke werk,
dat ’s werelds jok oplegt;
’t uwe is nog zwaarder jok
en groter last oprecht.
Wat baat het? God, die weet
al wat dit jok bediedt,
Hij legt het waar hij wilt
en hij en vraagt u nie
of ’t wel of kwalijk past;
maar, gaat, zegt hij, en doet
dat ik u zeg, al is ’t zerp
als weerse of honingzoet.
Gij weet daar, Moeder, van
bij ondervindinge, en
’t verheugt mij dat ik niet
in uwe schoen en ben;
ja dat het God op u
en niet op mij en lei
van herderin te zijn
in deze kloosterwei!
’t Is vijf en twintig jaar,
gedankt zij God daarom,
dat ’t klooster eerst van al
u hier zei wellekom;
en vijf en twintig jaar,
geen dag, geen ure min,
waart gij hier Moeder, meer,
waart gij hier koningin.
Op uwen houten troon,
vol liefde en teederheid,
hebt gij ons altemael
naar uwe hand geleid,
een hert aan ons besteed
gelijk nen beuterstul,
verduldigheid gehad
bi heele zakken vul,
en altijd blij gezind,
zelfs als ’t maar half en ging,
uw schaapkens meêgeleid
als met een schuifeling.
’t Is vijf en twintig jaar
dat ’t hemelt door uw schuld
in dees gemeente, ofschoon
de vijand tegenrult,
en knijst en knaagt alom,
gelijk ’t zijn ambacht is,
om zielkens meê te doen
naar zijn gevangenis.
Het hemelt hier, God dank,
al vijf en twintig jaar,
God gave dat het zoo,
mits zijne gratie, waar
nog lange jaren, en
dat geen een van ons en zag
den bittren rouw eilaas
van uwen stervensdag!
Ach, Moeder, houdt aan ’t gers
en eer gij hemelvaart,
tracht dat gij frisch en snel,
nog eens vervijfentwintigjaart!
dan steken wij – daarmeê
is ’t dat mijn liedje sluit –
twee blauwe schorten en
een grooten meiboom uit.