Het "Liedeken Van Gheluvelt"

Rond 1829 werd door de liberalen van Geluveld een lied gemaakt over Geluveld, zoals het in veel steden en gemeenten in die tijd een modeverschijnsel was. Denken we maar aan: “Weile zein van Meulebeek…” of “ Wij zijn de jongens van Gent, de zonen van Artevelde”.

De schrijver van het Geluveldse lied is een zekere E. V.(?). Het is niet echt een strijdlied, maar eerder een loflied aan het dorp. De natuur heeft de kleine gemeente slecht bedeeld, maar de kwaliteiten van zijn arme inwoners zijn er niet minder om. Dat is zo ongeveer de boodschap van de schrijver. De onbekende toondichter componeerde het lied op de melodie van “De Stemme van de Bloemiste”. Het lied was goed gekend en werd op kermissen, feesten en na liberale stembusoverwinningen vaak gezongen. Met de jaren raakte het lied in de vergeethoek.

In 1889 werd het lied door de liberale burgemeester Jules de Laveleye van het Polderhoekkasteel van onder het stof gehaald. Hij liet het lied massaal drukken en aan zijn bewoners bedelen. Het werd opnieuw een tophit tijdens de naweeën van de bitsige schoolstrijd van begin de jaren '80.

Liedeken van Gheluvelt

Als men van Gheluvelt komt spreken,
Omtrent een uur of zes in ’t rond,
Een ieder weet bijna de streke
Van dienen slechten veldengrond
Een ieder weet te misprijzen
Het ambacht van de berkenrijzen,
Van eet te trekken en turf te slaan
En met gescheurde kleers te gaan,
Hoort hier eens, hoort hier eens, hoort hier eens aan. (Bis)

Al die komt Gheluvelt blameeren,
’t Zijn meest al heeren in den schijn,
Die hun eigen zelven flatteeren
Van ’t gene dat zij niet en zijn,
Die willen maken van den Grooten
En een eerlijk man verstooten,
En niet denken dat de liên
Van Gheluvelt eere verdiên!
Eere verdiên, eere verdiên, eere verdiên. (Bis)

Schoon menig Gheluveltnaars met scheuren
En met gelapte kleeren gaan,
Men kan in hunnen doen bespeuren
Dat zij zijn van een edel graan.
Zij zijn als prinsen, vorsten, helden;
Zij zijn heel dapper in de velden.
Dapperheid, kloek, en heldenmoed
Triomfeert boven ’t geld en ’t goed.
Gheluvelt goed, Gheluvelt goed, Gheluvelt goed. (Bis)
Laat ons nu drinken in ’t gemeene
’t Zal op malkaars gezondheid zijn,
’t En is maar te Gheluvelt alleene
Dat alle herten gebroeders zijn.
Laat ons nu drinken en ons verblijden,
En tot spijt dergenen die ons benijden;
En laat ons drinken met geweld
En roepen vivat Gheluvelt!
Ja Gheluvelt, ja Gheluvelt, ja Gheluvelt! (Bis)