Korporaal J. W. Palmer, 26e Brigade, Royal Field Artillery, spreekt

Mondelinge geschiedenis is de meeste recente techniek in het geschiedenisonderzoek. In ons land staan we wat dit betreft nog in de kinderschoenen maar de Angelsaksische landen hebben al heel wat ervaring hiermee sinds 30 à 40 jaar. Zo hebben academici en archivarissen van het Imperial War Museum in 1972 honderden interviews opgenomen en bewaard van mannen (en vrouwen) die de meest afschuwelijke periode uit de moderne geschiedenis hebben meegemaakt: de Eerste Wereldoorlog. Al deze interviews van mensen die het met hun eigen ogen hebben aanschouwd, zijn als het ware de neerslag van hun meest traumatische herinneringen en bieden zo een uniek inzicht in het dagelijkse leven tijdens de Grote Oorlog.

Korporaal J.W. Palmer vertelde hierbij het volgende over de Slag van Passendale in 1917:

“Overal waar je keek was er modder: modder in de loopgraven, modder voor de loopgraven, modder achter de loopgraven. Elke granaatkrater was een poel van vuile modder. Alles heeft zijn grens, maar de modder bij Passendale, mannen zien wegzakken in het slijk, ze zien sterven in het slijk, ik denk dat dat me echt geknakt heeft.

De drie maanden voor ik gewond raakte, wist ik dat het me te wachten stond. Alleen dacht ik dat ik zou sterven. Elke keer als ik erop uit moest om de lijn te herstellen was ik de grootste lafaard op Gods aarde. Niemand wist wanneer een telefoonlijn het zou begeven, maar we wisten dat ze hersteld moest worden, de infanteristen konden alleen overleven als die lijnen intact waren. Het maakte niet uit of we geslapen hadden of niet, we moesten ervoor zorgen dat die lijnen bleven werken.

Er waren heel wat dagen waarop ik gewoon niet wist wat er gebeurde omdat ik zo bekaf was. De vermoeidheid in die modder was iets vreselijk. Je bereikte een punt waarop je niet verder kon. De nacht waarop ik mijn dieptepunt bereikte, had ik de hele dag en nacht aan de lijn gewerkt en het leek alsof ik al wekenlang geen moment rust had gehad. Het was heel erg moeilijk om in die modder een telefoonlijn te herstellen. Je vond één uiteinde en dan ploeterde je door de modder op zoek naar het andere uiteinde, maar zodra je één voet uit de modder trok, zonk de andere er weer in.

Het was rond middernacht. De Duitsers bestookten onze stellingen met een stevig spervuur en ik zat ineengehurkt in een van die smerige granaatkraters. Ik begon te denken aan die arme stakkers die gestraft waren omdat ze zichzelf verwond hadden, sommigen waren zelfs geëxecuteerd. Ik begon me af te vragen of ik eronder uit kon komen. Ik zat daar en bleef nadenken, je bent heel erg eenzaam als je daar in je eentje zit. Toen hoorde ik in de verte het gerammel van een paardentuig. Ik wist dat er munitiewagens aankwamen en ik dacht: Wel, dit is een uitweg. Wanneer ze op mijn hoogte zijn, kruip ik naar boven en leg ik mijn been onder een wiel. Dan kan ik zeggen dat het een ongeval was.

Ik wachtte en het geluid van het paardentuig kwam alsmaar dichterbij. Eindelijk zag ik de hoofden van de eerste paarden voor me en ik dacht: Dit is het moment! Zodra de eerste wagen vlakbij was, begon ik naar boven te kruipen. Maar weet u, ik had het lef niet om het te doen. Ik kon het gewoon niet. Ik denk dat ik gebroken was, mentaal en wat betreft wilskracht”.