Lied van Gheluvelt in 1894

Vóór de Eerste Wereldoorlog was Gheluvelt (zoals het toen werd geschreven) een klein en rustig dorp waar vooral kasteelheren en de pastoor het voor het zeggen hadden. De voornaamste economische bedrijvigheid op de gemeente was landbouw. Grote hoeven waren te vinden in de richting Menen op de zware maar vruchtbare grond. Men kweekte er vooral graangewassen, bieten en tabak. Richting Ieper was de grond veel schraler en zanderig. Enkel rogge en aardappelen konden hier gedijen. Men vond er alleen ‘kortwagendoeningskes’.

Ongeveer de helft van de bevolking was actief in die landbouw; de mannen als landwerkman, de vrouwen als hulpje bij het wieden, het oogsten of het tabak naaien. Tijdens de winter hielden die mensen zich onledig met vlas zwingelen, spinnen, kantklossen en hout hakken. De overige Geluveldnaren waren aardewerker aan wegen en grachten, kasseilegger (een Geluveldse specialiteit) of seizoenarbeider in Frankrijk als briekenbakker, arbeider in de cichoreiasten of landwerker (de zogenoemde “Franschmans”).

Naast de landbouwers en arbeiders waren nogal wat stielmannen als zelfstandige actief te Geluveld zelf. Diverse bakkers, slagers, winkeliers, smeden, klompenmakers, schoenmakers, wagenmakers, een brouwer maar vooral tal van herbergiers verdienden hun brood ter plaatse. Of zij het breed hadden valt te betwijfelen want de seizoenarbeiders gingen meestal slechts na de ‘campagne’ dezomerseschulden van het gezin vereffenen bij de bakker en/of de winkelier.

Verder studeren na de lagere school was er niet bij. Na de eerste communie, op 12 jaar, trokken de kinderen in de voetsporen van hun ouders naar de naburige hoeves om karweien op te knappen of naar Frankrijk als seizoenarbeider of als dienstmeid bij rijke industriëlen. In dit weinig opbeurend sociaal en economisch tijdsbeeld ontstond een (markt- of straat)lied over Geluveld (en Beselare) in 1894. Het schetste een beeld van het dorp in die tijd en klinkt als volgt:

Het volk hier moet hard werken
en d’ ouden gaan naar Klerken*
kleine boertjes, slechte jaren
geene sou kunnen ze vergaren

Kalsyleggers, briekenbakkers,
koeiwachters en peerdenleiders,
oogstarbeiders, dwangarbeiders,
boerenknapen en houthakkers

Boerenmaarten, heerenmeiden,
speldenwerksters, kindermeiden,
patat met nen haring van een sou,
smoutstuiten met een klak pap toe

Becelaerenaren, Geluveldnaren,
vlasboters, roters, zwingelaren,
sukrijdrogers, kastenwerkers,
pottendrinkers, nachtwerkers

Zwijnhoeknaren, boschkanters,
Kantiennaren, bomenzagers,
bezemmakers en zandratten,
keienrapers, sparrenslagers

’t Hard werk en kloeke moed
maakt het volk ’t leven goed,
in den strijd voor het bestaan
zal het uit de grond nog munt slaan.

*en d’ouden gaan naar Klerken: bedoeld wordt hier dat de behoeftige ouderlingen indien nodig naar het rusthuis te Klerken werden gebracht. Vermoedelijk werd dat rusthuis beheerd door zusters Apostolinnen uit Brugge die ook het lager onderwijs voor de meisjes voor hun rekening namen te Geluveld en Beselare. Ook weeskinderen konden te Klerken in de wezenschool een onderkomen vinden.