Luitenant J. W. Naylor getuigde over de Slag om Passendale

“Ik ging die saillant haten. Ik walgde er gewoon van. Ik vond de namen al zo onheilspellend – Zonnebeke – Hill 60 – Zillebeke – je werd al bang van die namen voordat je er een voet had gezet. Ze hadden zo’n onheilspellende klank. En om dan te proberen Passendale te bereiken, dat was wel de laatste druppel. De saillant was iets totaal anders dan de hele rest van het oorlogsgebied. Je werd erin meegezogen. Het weer, het gebrek aan rantsoenen, alles leek tegen je te zijn. Er scheen niets anders meer te bestaan. Je kon dagenlang volkomen doorweekt zijn. We dachten er nooit meer levend uit te zullen komen. Je zag geen enkel lichtpuntje meer. Dat was er ook niet.

Het was een vreselijke klus om de kanonnen over die planken naar Westhoek Ridge te krijgen – en dat was nog wel vóórdat de modder op zijn ergst was. Drie weken later hadden we het nooit voor elkaar gekregen. De regen kwam als een gordijn naar beneden. Het is lastig iemand duidelijk te maken dat het echt een modderzee werd. Letterlijk een zee, je kon erin verdrinken. Op de dag van mijn absolute dieptepunt was ik teruggegaan van de geschutsstelling naar de munitiewagen, die eraan kwam over de weg. Het was mijn taak te zorgen dat de wagens uitgeladen werden en transportploegen aan te stellen, die de granaten en de rantsoenen naar de geschutseenheid moesten brengen. Gek genoeg was het een rustige middag, maar toch moeten ze enige beweging hebben gezien op de weg, want precies toen de wagen eraan kwam, ontplofte er vlakbij een zware granaat. De wagen werd getrokken door zes paarden en die schrokken van de explosie, maakten een scherpe bocht van de weg af en vielen zomaar neer in de modder. We konden ze er met geen mogelijkheid uit krijgen. Ze zonken trouwens zo snel weg in de modder dat we niet eens de kans kregen ze los te snijden van de zware wagen. We vormden een ketting en staken onze armen uit, en zo lukte het om de menners van de kar te krijgen, maar die arme paarden zonken steeds sneller weg en verdronken voor je ogen. De wagen en de paarden waren in enkele minuten tijd verdwenen. Een van de menners was zo vervuld van afschuw dat hij helemaal verward raakte. Dat kwam door de gedachte te verdrinken in dat vreselijk spul. Een afgrijselijk idee. Je wordt dan toch liever doodgeschoten, zodat je niks meer weet.

Dit incident vond ik het meest deprimerende van de hele oorlog. Ik dacht: Wat heeft het in vredesnaam voor zin om door te gaan? Het maakt mij geen moer uit wie deze oorlog wint. Dieper kun je mentaal niet zinken, hoor. Het was een nachtmerrie. En die nachtmerrie heb ik nog steeds…”.