Maertens molen te Zonnebeke

Maertens molen wordt zo genoemd naar zijn laatste molenaar, maar voorheen heette deze molen, die stond in de Langemarkstraat, 200 m rechts op de hoogte voorbij het station, ook nog Verfaillies molen, Kleine molen en Zonnebekemolen.

De eerste officiële vermelding van een houten standaardmolen op die plaats de “Sonnebeeke molen” dateert van 1641 in een document annex kaart over “De Casselrye van Ypre”. De molen is dan eigendom en tevens banmolen van de heerlijkheid van Rolleghem. Die eerste officiële vermelding van 1641 laat uitschijnen dat daarvóór al een andere molen had gestaan op die plaats vanaf 1462. De molen wordt op 14 februari 1698 met de verkoop van de heerlijkheid van Rolleghem, eigendom van de abdij en wordt vanaf dan “Cleyne molen” genoemd, in tegenstelling tot de “Grote molen” of “Abtsmolen” van de abdij, gelegen op de hoek van de Grote en de Kleine Molenstraat. Een veldwegel verbond trouwens de Grote en de Kleine molen. Na de inval van de Fransen in onze regio in 1794 werd de molen verbeurd verklaard en openbaar verkocht en vanaf toen kwam hij in private handen terecht.

De vroegere naam “Kleine molen” was enigszins misleidend gezien de molen op 20 februari 1911 werd voorzien van een nieuwe ‘roe’ van 23,7 m door het atelier Verhaeghe uit Ruddervoorde. De roede kostte 474 fr. Prijs en lengte vormen op zich al een bewijs dat de “Kleine molen” zeker geen lilliputter was. Ook de berekening van het kadastrale inkomen van 18 september 1834, op basis van het plan Popp, klasseerde deze houten molen in de middenklasse. Het molenhuis, tevens klein landbouwbedrijf, met 2 ha 59 a landbouwerf en stallingen, boomgaard, weiland, meers en zaailanden stond aan de overkant van de Langemarkstraat (nu Rudy Vanlerberghe-Taillieu).

Sinds de opmaak van de kadastergegevens weten we dat de molen in 1834 eigendom was van Desiderius Verfaillie en zijn zusters Séraphine, Colette en Caroline. De Verfaillie’s waren een gekende molenaarsfamilie te Zonnebeke want met Henri leverden ze ook de molenaar van de stenen molen in het kasteeldomein (de Kasteelmolen) in die periode. Op 4 juli 1866 wordt de molen en bijhorend landbouwbedrijf openbaar verkocht in herberg “Den Hert” door de notarissen Christiaen uit Passendale en Poupaert uit Oostvleteren en dit om uit onverdeeldheid te treden. Molenaar Désiré (maar altijd met zijn tweede voornaam Henri aangesproken) koopt de volledige eigendom. In 1880 overlijdt Désiré en het is zijn schoonzoon Amand Develter, voorheen landbouwer te Kemmel, die het bedrijf verder zet. Hij koopt het onroerend goed aan door zijn schoonbroers en –zussen uit te keren op 5 augustus 1886. Drie jaar later overlijdt hij op veel te jonge leeftijd. In januari 1904 wordt de molen via verkoop eigendom van de Zonnebeekse molenaar Hendrik Maertens-Sobry. Vanaf nu spreekt de bevolking van “Maertens molen”. De molen lijkt behekst voor zijn opeenvolgende molenaars want opnieuw drie jaar later overlijdt Henri Maertens, een weduwe en een dochter Alice nalatend. Met de hulp van een molenaarsknecht zette de weduwe de goed beklante molen verder tot enkele jaren later, in oktober 1914 de molen van zijn voetstuk wordt gelicht door de Duitsers tijdens de Eerste Wereldoorlog. Opnieuw een molenverhaal dat hiermee voor eeuwig eindigt.