Mooie vondst voor Zonnebeke

E. H Alfons Callewaert was van september 1927 tot 1943 onderpastoor te Zonnebeke. Hij werd geboren te Roeselare op 28 augustus 1892. Voor hij naar Zonnebeke kwam, in opvolging van E. H. Jozef Vermersch, was hij onderpastoor te Sint-Joris-ten-Distel en te Sint-Jan-ter-Biezen. Hij was behoorlijk geboeid door de geschiedenis van de Zonnebeekse Augustijnenabdij en in augustus 1941 deed hij een merkwaardige ontdekking. In een Brusselse bibliotheek, in een stapel oude perkamenten, vond hij het wapenschild van abt Ingelram vander Gracht van de Augustijnenabdij van Zonnebeke. De abt was blijkbaar van adellijke afkomst. Dit eerste spoor van het wapenschild dagtekent van 1344.

Ingelram vander Gracht werd abt en heer van Zonnebeke eind 1344. Voordien was hij twee jaar abt te Waasten. Het is niet onwaarschijnlijk dat hij afstamt van de adellijke familie vander Gracht, heren van de heerlijkheid Rolleghem te Zonnebeke. Hij was een zeer eerbiedwaardige en intelligente man en een man van gezag. Hij zetelde in de Raad van Vlaanderen en zo was hij een van de scheidsrechters (samen met Tristanus Wouterloot, kanunnik van de abdij van Zonnebeke) in een conflict tussen Ieper en Poperinge. Sinds jaren lagen de beide steden met elkaar overhoop om het recht op lakennijverheid. Herhaaldelijk was het al tot bloedige twisten gekomen. Eindelijk, in 1344, werd het conflict beslecht via een scheidsgerecht. Het vonnis was geschreven op een perkament, ondertekend en gezegeld met de wapenschilden van de Graaf van Vlaanderen en de leden van de Raad van Vlaanderen waaronder dus Ingelram vander Gracht, korte tijd later de abt van Zonnebeke. Het was dit document dat onderpastoor Alfons Callewaert ontdekte in 1941.

Onder het abbatiaat van abt Ingelram vander Gracht werd de abdij zwaar beproefd in 1350. Op 2 mei gaf de Graaf van Vlaanderen, Lodewijk van Male, aan de baljuw van de kasselrij Ieper de opdracht om de wereldlijke bezittingen van de abdij van Zonnebeke aan te slaan. Er was een discussie ontstaan of een stuk grond, gelegen te Hooglede in het rechtsgebied van de graaf, het “Monniksland” genaamd en 15 gemeten of 6,60 ha groot, eigendom was van de Zonnebeekse abdij dan wel van de graaf. Dat de cijns aan de abdij niet regelmatig werd betaald door de gebruikers van het land speelde juridisch in het nadeel van de abt. Uiteindelijk kwam de abt er op 4 november van af met een hoge boete van 600 gulden florijnen.
In 1354 kocht abt Ingelram vander Gracht een ‘refuge’ of toevluchtshuis binnen de stadsmuren van Ieper, namelijk in de Bollingstraat, langs de vestingen. Daarmee verzekerde hij zich en zijn paters van een veilig schuiloord in geval van troebelen of onlusten. 200 jaar later, met de Beeldenstorm, zijn de paters effectief uitgeweken naar hun refuge. Naar het schijnt bestond het pand nog net voor de Eerste Wereldoorlog en op de voorgevel prijkten de schilden van de abdij en van abt Ingelram vander Gracht. Het wapenschild draagt als zinnebeeld drie vazen naast een staf en een kruis. Uit een vergelijkende studie blijkt dat die drievoudige structuur voorkomt op quasi alle wapenschilden van abten van de Congregatie van de H. Augustinus. Het in 1941 ontdekt wapenschild werd gereproduceerd en op de achtermuur van de huidige kerk opgehangen tussen de mooie verzameling andere wapenschilden van Zonnbeekse abten. Het is meteen wel het oudst gekende wapen.

In 1356 werd abt Ingeram vander Gracht opgevolgd door E. H. Jan Claerbout. Of dit het gevolg was van een sterfgeval dan wel om een andere reden, is niet gekend.