Passendaals seminarist overleeft de godsdienstvervolging van Napoleon niet

Tijdens de Franse overheersing (1794-1815) wilde keizer Napoleon I, tegen alle kerkelijke wetten in, de bisschoppen zelf benoemen. Mgr. de Broglie, bisschop van Gent sinds 1807, (sinds het concordaat van 1801 behelsde het bisdom Gent de beide Vlaanderen) verzette zich tegen deze bemoeienis van de keizer. Hij viel in ongenade en werd samen met de bisschop van Namen gevangen gezet. In april 1813 benoemde de keizer M. de la Brue, een kanunnik van Dyon, tot bisschop van Gent.

Op 1.200 priesters van het bisdom waren er slechts een dertigtal die de ‘indringer’ erkenden. Het waren bijna alle priesters die tijdens de Franse Omwenteling (1797) de eed van getrouwheid aan de Republiek en van haat aan het koningdom hadden gezworen. Ook de seminaristen wilden de la Brue niet als bisschop aanvaarden. Zij bleven Mgr. de Broglie trouw. Het seminarie werd op 26 juli 1813 gesloten. Ze werden bijeengeroepen te Gent in augustus. Er waren 75 aanwezigen, twee seminaristen ontbraken. De seminaristen werden als dienstplichtigen beschouwd en gestuurd naar het fort van Wezel op de Rijn in Duitsland. Vier moesten er achterblijven. Zij werden later naar de gevangenis in Parijs overgebracht. Enkelen konden nog snel onderduiken en met 53 trokken ze naar Wezel. Enkele dagen later kwamen er nog 18 seminaristen aan die door de gendarmes op het onderduikadres waren opgepakt.

49 seminaristen, waaronder 29 uit West-Vlaanderen, zijn tijdens de vervolging gestorven. Daar de vijand, die Wezel belegerde, de stad niet bestormde, viel geen enkele seminarist onder de vijandelijke kogels. Alle stierven ze aan ziekte: tyfus en rode loop. De ziekenoppassers, meestal oud-soldaten waren harteloze kerels die de zieken aan hun lot overlieten, als ze al niet tussenbeide kwamen om de dood een handje toe te steken, uit vrees dat de klederen en andere bezittingen van de overledenen hen zouden kunnen ontsnappen. De niet of minder zieke seminaristen deden wat in hun mogelijkheden lag om hun zieke collega’s te helpen. De overlevenden werden in vrijheid gesteld nadat de bondgenoten Napoleon hadden overwonnen en Wezel zich had overgegeven op 8 mei 1814. Na Napoleons val kwamen de seminaristen naar Gent terug. Op 14 mei nam Mgr. De Broglie terug bezit van zijn bisschoppelijke zetel te Gent. Hij oefende zijn functie uit tot 1829.

Ter gelegenheid van de honderdste verjaardag van hun strijd heeft men te Wezel in 1913 een gedenkteken opgericht met volgend opschrift (in het Latijn weliswaar):

Tot roemvolle gedachtenis
der 35 Levieten
die ten jare 1813 uit het seminarie van Gent gedreven
te Wezel gestorven zijn.
Wier asch hier geborgen
den loon verwacht
van hunne onwankelbare getrouwheid aan de
kerkelijke regeltucht.

De Passendalenaar Philip Pecceu was één van de overleden seminaristen. Ook Henricus Franciscus Laumosnier, geboren te Geluwe op 20 januari 1794 en later pastoor te Zandvoorde van 1824 tot 1830 en te Beselare vanaf 26 oktober 1842 werd verbannen naar Wezel. Hij overleefde het avontuur en stierf als pastoor te Beselare op 17 december 1864. De namen van de bewuste seminaristen en de overlevenden die later stierven, staan vermeld op een gedenksteen in de bisschoppelijke St.-Baafskerk te Gent.