Passendaalse geestelijken in ballingschap te Roeselare

Tweeëneenhalve maand na het begin van de Grooten Oorlog, waren de Duitsers opgerukt tot bij ons. Op 'schuwe maandag' 19 oktober 1914 werd Moorslede veroverd. Één dag later viel Passendale.

Terwijl het grootste deel van de bevolking bij de inval van de Duitsers (op bevel van de Engelsen) vluchtte, bleef toch een kleine groep ter plaatse. Het waren vooral ouderen of zieken voor wie verplaatsing onmogelijk was. Anderen hadden geen weet van het naderende oorlogsgeweld of dachten dat het slechts van een zeer korte duur zou zijn. Nog anderen konden geen afstand doen van hun bezittingen en tenslotte waren er enkele geestelijken en kloosterzusters die voor bijstand ter plaatse bleven.

Op donderdag 5 november 1914 werd manu militari een einde gesteld aan het verblijf van die resterende burgerbevolking. Burgers, priesters en kloosterlingen werden samengebracht in het herenhuis van Emiel Christiaen (hoek Kapellestraat tegenover de kerk van Passendale). Zij hadden het meer dan twee weken in hun schuilplaatsen uitgehouden en hadden slechts bij grote uitzondering op straat mogen komen. 's Anderendaags werden ze onder toezicht van Duitse Uhlanen te paard naar Moorslede overgebracht.

Te Moorslede werd de groep aangedikt met nieuwe gevangenen, waaronder eveneens enkele geestelijken en de karavaan trok richting Roeselare. Daar vonden ze een onderkomen in het ‘Schaverdinekot’. ’s Anderendaags werd een groot deel van hen overgebracht naar de Congregatiezaal in de Kattenstraat, anderen werden overgebracht naar het Arsenaal. Vier dagen later moest deze laatste groep plaats ruimen voor Duitse soldaten en ze vervoegden opnieuw hun lotgenoten in de Congregatiezaal die al proppensvol zat. De levensomstandigheden waren erbarmelijk en iedere dag dienden een pak lijken weggehaald te worden. De vrijgekomen plaatsen werden prompt met andere gevangenen opgevuld.

Door toedoen van E. H. Desaegher en Jan Mahieu, pastoor-deken en burgemeester te Roeselare, werd er van de Duitse plaatselijke overheid bekomen dat de geestelijken mochten ondergebracht worden in de spreekplaats van het klooster van de Paters Redemptoristen. De reden van hun arrestatie en hun blijvende aanhouding moest gezocht worden bij de Moorsleedse geestelijken, onderpastoor E. H. Roffiaen en E. H. Verhelst, directeur van Ten Bunderen. Zij werden immers beschuldigd van samenwerking met de geallieerden. In het oud-mannentehuis van Moorslede hadden de Duitsers een lantaarn gevonden. Deze lantaarn, met gekleurde glaasjes en een lampje met een wiek en een vergrootglas er in, diende zogezegd om de oudjes er mee te vermaken maar werd in feite gebruikt voor spionage. In de richting van Poelkapelle werden allerlei mysterieuze tekens doorgeseind en dit om de positie van de Duitsers aan te duiden.

Bij de Paters Redemptoristen mochten de priesters mis lezen en ze werden er goed behandeld. Onderpastoor E. H. Roffiaen werd na een verblijf van 10 dagen in de stadsgevangenis overgebracht bij de groep confraters. Dagelijks mochten ze een uurtje onder bewaking in de tuin wandelen. Na enige tijd kreeg Zuster Ursula van de Zusters van Heverlee de toelating om een foto te nemen van de groep priesters en hun bewakers op voorwaarde dat deze laatsten elk een foto kregen. Dit is echter nooit gebeurd. Er werd hen verteld dat de opname mislukt was. Het is alleszins een merkwaardig en uniek document geworden.

Hun gevangenisschap zou blijven duren tot 24 januari 1915. Hun vrijlating hebben ze opnieuw te danken aan burgemeester Mahieu die persoonlijk voor hen borg stond. Hen werd zogezegd genade verleend ter gelegenheid van de verjaardag van de Duitse keizer Wilhelm II. In het begin moesten ze binnen de stad blijven zoniet werden ze vogelvrij verklaard. Naderhand mocht iedere priester toch zijn gang gaan.

Pastoor Pattyn vestigde zich bij zijn broer die notaris was te Beveren-Roeselare. Na de oorlog werd hij pastoor te Eernegem waar hij stierf op 5 mei 1922. Onderpastoor Haghedooren ging bij familie in de Noordstraat inwonen. Op 30 september 1917 te 19.45u werd hij al wandelend op straat door scherven van een Engelse obus aan het hoofd geraakt. Een kwartier later overleed hij. Onderpastoor Vervaecke tenslotte werd tot onderpastoor benoemd op de O.-L.-Vrouwparochie te Roeselare. Hij werd in januari 1920 dienstdoende pastoor te Passendale en op 14 april 1924 effectief pastoor. Op 21 december 1950 vierde hij zijn 50-jarig priesterjubileum. Op 17 april 1957 ging hij op rust in Passendale waar hij stierf op 8 mei 1959.