Toeristenvliegtuig maakt noodlanding te Zonnebeke

Woensdag 1 april 1936 was een aangename lentedag te Zonnebeke en kende, zoals alle andere dagen, een rustig verloop, ware het niet dat 's avonds een onweer losbrak met spectaculaire gevolgen. Rond 19.00u landde een Frans toeristenvliegtuig in de weide van landbouwer Jerôme Cappelle, gelegen langs de Langemarkstraat, ongeveer 300 m vóór de grens met Langemark.

Het vliegtuig was een grijs en rood geschilderde eendekker. Het kwam aangevlogen uit de richting Ieper en bleef geruime tijd boven Zonnebeke rondzweven. De piloot zocht blijkbaar, wellicht gedwongen door het noodweer, een gunstige landingsplaats. Boven de hofstede van Jerôme Cappelle vloog het toestel zo laag dat toegesnelde toeschouwers vreesden dat het de hoogspanningsdraden zou raken die langs de baan liepen. Met een sierlijke beweging vloog het vliegtuigje er juist boven, maakte daarop een korte draaibeweging en streek zachtjes neer op de weide. Na ongeveer 50 m uitlopen kwam het toestel tot stilstand bij de weideafsluiting, niet ver van een aanpalende werkmanswoning (de vroegere herberg “Den Ast”).

Ondanks het late uur en de reeds invallende duisternis was weldra een massa toeschouwers op de been naar de landingsplaats. Ook de rijkswacht van Zonnebeke kwam ter plaatse om de ordedienst te verzekeren en een onderzoek in te stellen.

Het luxueuze vliegtuig met de kenletters F.-ANYM, was van het merk Potez, type 58 met dubbele stuurpost en drie gemakkelijke zitplaatsen. Zijn motor ontwikkelde een kracht van 170 PK en kon een snelheid halen van 160 km per uur. Het toestel woog ongeveer 700 kg.

De eigenaar, de Heer Cyrille Frémaux uit Rijsel, lid van de Rijselse aeroclub, was vergezeld van een passagierster, die net haar loodsbrevet had gehaald. Er was ook een vriend van de piloot aan boord, een loods uit Parijs, die de streek nogal kende. Zij verklaarden dat zij in de namiddag te Rijsel waren opgestegen voor een korte vlucht naar Douai. Van daar waren zij naar Bethune gevlogen en toen zij in de vooravond naar Rijsel wilden terugvliegen, werden zij door een onweer verrast. Om dit zoveel mogelijk te ontwijken maakte de piloot-eigenaar een ommetje via onze streek. Het noodweer bleef hen achtervolgen en na verloop van tijd herkende de piloot zich niet meer. Kwam daarbij dat de voorraad benzine snel slonk. Ze werden verplicht een noodlanding te maken. Dit gebeurde in de best mogelijke omstandigheden en zonder noemenswaardige schade te veroorzaken.

De Heer Frémaux en zijn vrienden namen het avontuur sportief op. Zij lieten zich dezelfde avond nog per auto naar Rijsel rijden en keerden ’s anderendaags vroeg terug om zonder enig probleem terug op te stijgen en naar Rijsel te vliegen. Gans de nacht werd het vliegtuig bewaakt door onze ijverige gendarmes teneinde onvoorzichtige of te nieuwsgierige toeschouwers te vermijden om eventueel schade aan te brengen.

Sinds begin 1936 was dit meteen het derde vliegtuig dat in de regio landde (ook eentje te Passendale); een meer dan zonderling toeval.