Tragisch oorlogsverhaal op wijk 'De Kalve' te Passendale

In de nacht van 19 op 20 oktober 1914 trokken Camille Latrez, de veldwachter, en Henri Coene, de hulpveldwachter, op bevel van de burgerlijke overheid al bellend door de straten van de dorpskom van Passendale. Deuren en vensters gingen open want niemand kon goed slapen wegens de oorlogsdreiging. Zodra ze mensen zagen, maanden de veldwachters hen aan zo spoedig mogelijk hun huizen te verlaten en te vertrekken richting Ieper langs Sint-Juliaan. Die nacht begon de grote uittocht die opgeslorpt werd in de vluchtelingenstroom van duizenden mensen uit meer oostelijke gemeenten die al ettelijke dagen op de dool waren.

Enkele stoutmoedigen zoals de geestelijkheid, enkele zusters van het klooster, hulpbehoevenden en vooral boeren die het bevel niet (rechtstreeks) hadden gehoord, weigerden te vertrekken. Ze hoopten ook dat de ‘bui’ van voorbijgaande aard zou zijn. Ze verscholen zich in kelders, putten en grachten. Maar het oorlogsgeweld kwam op die 20e oktober onheilspellend aangerold; vanaf de Goudberg kwamen Franse troepen, vanaf de Broodseinde trokken de Britten op en van uit Moorslede de Duitsers. Een bombardement tussen 11.00u en 12.00u vernielde bijna alle huizen in het eerste gedeelte van de Molenstraat. Ook de meisjesschool werd getroffen door een obus. Hij kostte het leven aan Sylvie Haghedooren. Rond 15.00u stormden de briesende Duitse regimenten het dorp binnen. Ze vuurden door vensters en beukten de deuren in. Ze bestormden straat na straat, huis na huis. Zij die zich in de kelders hadden verscholen werden er uit gesleurd, verdacht van spionage en opgeleid via Moorslede naar Roeselare of ter plaatse afgemaakt zoals Pharaïlde Plankeel en Emma Depoorter.

Toen twee dagen later het ergste geweld wat geluwd was, hadden de ongehuwde broers Emiel en Jules Vandamme, die boerden langs de Grote Roeselarestraat op de wijk ‘De Kalve’ en ondanks alles op de hoeve waren gebleven, besloten hun koeien terug op de weide te laten. Ze hadden wel niet gemerkt dat de weideafsluiting door de Duitsers op sommige plaatsen was kapot geknipt en het duurde dan ook niet lang of de koeien ‘genoten’ van de aanpalende landerijen. De dichtste buren, het echtpaar August Lacante-Virginie Potteau van de laatste hoeve op Passendaals grondgebied langs die straat, kwamen ter hulp om de beesten terug op stal te krijgen. Op dat ogenblik kwamen woeste, vermoedelijk beschonken Duitse soldaten voorbij en ze riepen: “nach Haus”. Toen dit volgens hen niet snel genoeg gebeurde openden ze het vuur. Dit werd de gebroeders Vandamme fataal. Het vluchtende echtpaar Lacante – August was ondertussen ook gewond – werd achterna gezeten door de dolle Duitsers. Zij verborgen zich onder de bakoven op hun hoeve. Één van de dronken Duitsers had August bemerkt en riep dat hij zich moest overgeven. Toen die niet reageerde staken de Duitsers de hoeve in brand. August moest nu wel zijn schuilplaats verlaten en meteen werd hij gedood door een soldaat met bajonetsteken. Virginie Potteau werd aan de voordeur neergeschoten. De kinderen zijn aan de slachting kunnen ontkomen door via de stallingen te vluchten naar een nabijgelegen bosje. De hoeve Lacante was volledig eigendom van de adellijke familie Godtschalck uit Brussel. Deze familie had in de streek veel boerderijen in eigendom.

Na hun laffe aanslag trokken de Duitsers naar een andere buurman, Petrus Viane, die boerde op de eerste hoeve in de Jerusalemstraat, net voor de grens met Westrozebeke. Zij verplichtten hem om een kuil te graven in zijn nabij gelegen weide en er de vier lijken in te begraven. Daarna zetten zij hun moorddadige rooftocht verder.