Zonnebeke zond zijn zonen uit, zelfs tot over de grenzen

De Augustijnenabdij te Zonnebeke en haar bewoners (kanunniken zoals de kloosterlingen doorgaans werden genoemd) vormden een zeer besloten gemeenschap. Immers volgens hun regel, waren zij onderworpen aan de clausuur. Een bepaald gedeelte van het klooster (het claustrum) was afgesloten van de buitenwereld en voorbehouden voor de paters, die dit slot niet mochten verlaten zonder de uitdrukkelijke toestemming van de abt of de prior. Tot dit claustrum behoorden: het koor, de slaapzaal, de pandgang, de kapittelzaal, de refter, het calefactorium (een verwarmde ruimte) en de boomgaard (+/- 1,5 ha groot). Op velerlei wijze probeerde men het contact tussen de kloosterlingen en de buitenwereld te beperken.

De clausuur betekende echter niet dat de Zonnebeekse kanunniken de abdij nooit verlieten. Integendeel, de abt en pater prior hadden zakelijke en materiële belangen te verdedigen en konden in die functie voor korte of langere tijd de abdij verlaten, bijvoorbeeld om contracten af te sluiten. Tientallen andere kloosterlingen hebben gedurende diverse eeuwen zielzorgfuncties opgenomen (als pastoor, onderpastoor of deservitor = tijdelijke vervanger) in patronaatparochies, waar de abdij aanstellingsrecht had, zoals Beselare, Roeselare, Bikschote, Oostnieuwkerke, maar ook in andere parochies waar tijdelijk priesterschaarste heerste zoals te: Beveren-Roeselare, Geluveld, Geluwe, Hollebeke, Houtave, Houtem, Langemark, Meetkerke, Moorslede, Oudekapelle, Rumbeke, Sint-Jan-in-Eremo, Sint-Margriete, Watervliet, Westkapelle, Zuidschote en het Franse Lincelles, Steenvoorde en Steenwerck. Deze activiteit is al begonnen eind de 12e eeuw en heeft voortbestaan tot de opheffing van de abdij in 1796. De reden is vermoedelijk van economische aard. De abdij moest de uitgezonden kloosterling immers niet meer onderhouden en in hun parochies viel al eens ‘een appel uit de boom’. Uitgezonden kloosterlingen moesten trouwens jaarlijks tegenover de abt rekenschap komen afleggen van hun inkomsten, uitgaven en de staat van hun huishouden.

Felix-Jacobus De Vos, geboren te Ieper op 22 maart 1663 als zoon van Jan De Vos, Eerste Raadspensionaris en Griffier van de stad Ieper en van Jonkvrouw Marie-Catharina Rabaut, trad binnen in de Augustijnenabdij te Zonnebeke in 1680. Hij werd geprofest op 12 juli 1682 en priester gewijd op 4 februari 1686. Hij doceerde geruime tijd in de abdij wijsbegeerte en godgeleerdheid aan jonge religieuzen. Hij werd pastoor van Steenwerck vanaf 1694, in het spoor van een eerder naar deze Frans Vlaamse parochie uitgezonden Zonnebeekse kloosterling, Guilielmus Assent. Guilielmus Assent werd geboren te Ieper op 12 september 1630 als zoon van Joos en Catharina de Mats. Hij overleed op 10 mei 1670 en was de laatste 12 jaar van zijn religieuze loopbaan pastoor van Steenwerck. Zoals zijn voorganger Assent, overleed ook Felix De Vos op net geen 40-jarige leeftijd, op 8 januari 1703. “Hij muntte uit door zijn godsvrucht, zijn voorbeeldig leven, zijn geleerdheid en onvermoeibare ijver”, zo staat hij genoteerd in het necrologium (de dodenlijst) van de abdij. Na Felix De Vos werd nog de Zonnebeekse kanunnik Jean-Baptiste De Vos aangesteld als pastoor van Steenwerck in 1733. Hij was meteen de laatste in de rij van Zonnebeekse paters te Steenwerck. In 1751 werd hij naar de abdij teruggeroepen om er abt te worden in opvolging van Patricius Holvoet.

Gelukkig toeval heeft ons, fanaten van de lokale geschiedenis, een ferme hand toegestoken. Van Joeri Stekelorum uit Koksijde, een kennis die evenzeer gebeten is door de microbe van genealogie en heemkunde, kregen we een kopie van een document dat hij toevallig vond in de overlijdensakten van de parochie Steenwerck terwijl hij op zoek was naar heel iets anders. Het woord “Sonnebeeke” sprong hem in het oog en warempel hij had de overlijdensakte van kanunnik Felix De Vos te pakken. Wij willen ze jou uiteraard niet onthouden bij deze bijdrage.

Kopie

Wij danken Joeri voor zijn scherpzinnigheid en voor zijn juiste reflex om een kopie te maken van het document en ze ons te bezorgen. Zo zie je maar hoe wij met ontelbare kleine en grotere puzzelstukken onze lokale geschiedenis moeten reconstrueren en het toeval kan ons daarbij ongetwijfeld een handje helpen.